Opinie

Wat een armoe als docent Nederlands Vondel niet kent

Tweedegraads leraren Nederlands hoeven hun klassiekers niet meer te kennen. betreurt dat. „In het hoofd kruipen van voorgangers maakt het verleden tastbaar.”

Illustratie Hajo

Helaas verscheen de roman Sara Burgerhart (voluit: Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart) al in de achttiende eeuw. „Velen uwer lezen”, schreven Aagje Deken en Betje Wolff in de inleiding van hun boek, „om verstandig te leren denken en doen.” Inmiddels vinden de Nederlandse hbo-instellingen 1782 veel te lang geleden: met ingang van het schooljaar 2018-2019 hoeven opleidingen tot tweedegraads leraar geen aandacht meer te besteden aan Nederlandse literatuur van vóór de twintigste eeuw. Sara Burgerhart, Beatrijs, Hadewijch, Vondel – je hoeft er volgens de door hbo’s gezamenlijk opgestelde kennisbasis niet meer over te weten om voor de klas te mogen staan.

Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Weliswaar geven tweedegraadsleraren officieel alleen les in het vmbo en in de onderbouw van het havo en het vwo, en weliswaar komt er daar weinig literatuurgeschiedenis aan bod, maar tot nu toe zat in het pakket van die tweedegraadsleraren altijd toch een béétje oude letterkunde. Zij moesten het hele vak kunnen overzien en ze mochten niet minder weten dan de oudere leerlingen op de school waar ze doceerden. Nu gelden die overwegingen kennelijk niet meer.

Wat een armoe. Eerder dit weekeinde hadden we al moeten meemaken dat Marita Mathijsen – de grote Marita Mathijsen! dé voorvechtster voor de schoonheid van de boeken van voor 1880! – in de Volkskrant moest toegeven dat er niks anders op zat dan oude teksten te hertalen om ze zo goed mogelijk naar de jongeren te brengen. Maar zoals lerarenopleider en hoofdredacteur van boekenblog Tzum Coen Peppelenbos reageerde in een column: zelfs daarmee voert Mathijsen een achterhoedegevecht. Om leraar Nederlands te worden heb je zelfs die hertalingen niet nodig. Je hoeft de namen van die werken en schrijvers niet eens te kennen.

Lees ook: Hallo Murakami, vaarwel Multatuli

Er zijn talloze redenen waarom de geschiedenis van de Nederlandse literatuur thuishoort op de middelbare school, en zeker in de bagage van docenten. Lezen leert je niet alleen ‘verstandig denken en doen’, zoals Wolff en Deken dachten, maar vergroot je taalgevoel en je empathische vermogens. Je leert andere werelden kennen, en andere manieren om onze wereld te zien. Je leert de grootste geesten uit het verleden kennen door te lezen. Dat het ook nog eens opwindend, spannend en fijn is, is nog meegenomen.

Tastbaar verleden

Natuurlijk zijn oudere boeken lastiger dan moderne. Maar daar staat ook wat tegenover: niets maakt het verleden zo tastbaar als in het hoofd kruipen van onze voorgangers. Het dierdicht Van den vos Reynaerde leert je dat list en bedrog van alle tijden zijn – en dat mensen dat ook altijd belachelijk hebben gemaakt. Bredero dat Amsterdam al eeuwen een stad is waar ‘s nachts verliefde mensen over straat zwalken. Multatuli dat je nooit zomaar hoeft aan te nemen wat iedereen vindt. En van al die oude boeken bij elkaar dat geen enkele gedachte vanzelfsprekend is, dat er altijd wel iemand te vinden is die het anders heeft gedacht en gezegd – ook hier, om de hoek, in wat we nu Nederland noemen, en in een taal die weliswaar een beetje vreemd is, maar onmiskenbaar ook de onze.

Lees ook de recensie van de vorig jaar verschenen roman Ik, Vondel: Meeleven met de oude meester

We hebben ze hard nodig in onze samenleving, de burgers die iets weten over de geschiedenis van dit land, van de taal die er gesproken wordt en van de gedachten die er zijn uitgedrukt. Mensen die begrijpen dat de Nederlandse ‘identiteit’ niet zomaar uit het moeras is komen dampen maar het resultaat is van eindeloos gesoebat en geredetwist. Mensen die bereid zijn om aandacht te schenken aan een boodschap die niet onmiddellijk economisch nut vertegenwoordigt.

Toch wordt de literatuur, en wordt alles wat maar zweemt naar kennis, steeds verder gebagatelliseerd in het onderwijs. Ook in de hoogste klassen van havo en vwo is er vaak vooral aandacht voor het bloedeloos soort ‘leesvaardigheid’ waar het centraal eindexamen om vraagt. Er zijn gelukkig de laatste tijd initiatieven om het kennisniveau van het middelbaar onderwijs weer wat op te krikken; maar als er straks geen leraren zijn die zelf de stof beheersen, zijn die gedoemd te mislukken.

De komende jaren dreigt een tekort aan eerstegraads leraren. Tweedegraads docenten kunnen met toestemming van de inspectie ook in de hoogste klassen worden ingezet. Zo komen er langzaam overal docenten voor de klas die geen enkele voeling hebben met de geschiedenis van onze literatuur. De veranderingen in de kennisbasis zijn daarom de zoveelste aanslag op onze culturele basis. We moeten dat niet laten gebeuren.