Recensie

Muzikaal op de vlucht met jonge Griekse Djam

Muzikale roadmovie In ‘Djam’ van de in Algerije geboren Franse filmmaker Tony Gatlif moet de Griekse Djam de ‘vluchtelingenroute’ van Istanbul naar Lesbos afleggen, in een verhaal dat is als de muziek in de film: koppig en impulsief.

Daphne Patakia (links) en Maryne Cayon als Djam en Avril in ‘Djam’.

Als Djam begint te zingen, met haar vingers knipt en roept: „Muziek”, dan is er muziek. Dat is de magie van de films van de in Algerije geboren Franse filmmaker Tony Gatlif (1948). Gatlif heeft een oeuvre gebouwd rondom de verdwijnende Roma-cultuur dat bruggen slaat naar nomadische muziektradities uit alle grensgebieden van Europa.

In Djam is het de Griekse rebetiko, een muzieksoort die eind 19de eeuw werd meegenomen door vluchtelingen uit Turkije. Rebetiko maakte midden jaren tachtig een revival door de film Rembetiko, over zangeres Marika Ninou. In Gatlifs films vertelt de muziek normaliter het verhaal, en dat is in deze muzikale roadmovie niet anders. De Griekse Djam wordt door haar oom van het Griekse eiland Lesbos naar Istanbul gestuurd om de krukas van hun boot te laten repareren. Op de terugweg neemt ze noodgedwongen de weg over land, tegenwoordig bekend als vluchtelingenroute. En zo weeft de film die eerste, Griekse vluchtelingenstroom door de huidige.

Hoewel Djam diep begaan is met de Griekse crisis en het Syrische conflict, is het geen realistische film. De vertelstijl is als de muziek: koppig, impulsief en wellustig. Al voelen de seksueel geladen blikken op Djam en haar reisgezellin Avril, die ze onderweg als een zwerfkatje oppikt, en hun kinderlijk-erotische omgang soms wel wat ongemakkelijk. Is het de blik van de patriarchale samenlevingen die ze doorkruisen of toch de ‘male gaze’ van de regisseur? Dat onbehagen, dat vrouwen ervan weerhoudt alleen op weg te gaan, doet wel iets af aan deze muzikale roadmovie.

    • Dana Linssen