Loonheffing over dwangsom

Economie & Recht Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week: fiscaal recht.

Illustratie NRC

Een militair bij de Koninklijke Luchtmacht wilde niet dat zijn contractueel vastgelegde ‘dienverplichting’ werd aangepast. Hij tekende dan ook bezwaar aan bij de minister van Defensie. Die behandelde het bezwaar echter niet binnen de gestelde termijn en dus heeft de militair een dwangsom verbeurd. Over de dwangsom van 100 euro werd 44,38 euro loonheffing ingehouden.

Met dat besluit was de militair het niet eens en hij stapte naar de rechter. Die stelde onder meer dat de militair de dwangsom enkel kon verbeuren vanuit zijn rol als werknemer en dus dat er sprake was van terechte loonheffing. Maar in een recent arrest vernietigt het hof deze uitspraak.

Volgens het hof zijn ambtenaren die bezwaar maken en worden geconfronteerd met overschrijding van de beslistermijn niet anders dan „willekeurig welke andere belanghebbende”. De dwangsom is toegekend omdat een bestuursorgaan in gebreke is gebleven en „belanghebbende heeft recht op de dwangsom in zijn hoedanigheid van maker van bezwaar”. De dwangsom kan dus volgens het hof niet aangemerkt worden als uit een dienstbetrekking genoten loon.

De loonheffing is onterecht ingehouden.

Uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:1151