Recensie

Feestboek voor een eeuw Nederlandse bioscopen

Filmgeschiedenis In het boek dat is uitgegeven bij het 100-jarig bestaan van de branchevereniging van Nederlandse bioscopen, wordt uitputtend de geschiedenis van het bioscoopwezen beschreven: van de opkomst van de bioscoop tot speculaties over de toekomst ervan.

Een filmkeuringskaart uit de jaren zeventig: de film ‘Q’ wordt geschikt geacht voor kijkers van 18 jaar en ouder.

De best bezochte film in Nederland is The Sound of Music (1965). De musicalklassieker trok bijna vier miljoen bezoekers, zo’n 700.000 meer dan Turks Fruit. Dit blijkt uit een van de leuke lijstjes die is opgenomen in het feestboek over het honderdjarige bestaan van de branchevereniging van bioscopen.

Naast allerlei lijstjes bevat het 324 pagina’s tellende naslagwerk een veelheid aan illustratiemateriaal, van ansichtkaarten tot affiches. De wat droge, maar kundige teksten zijn opgedeeld in behapbare hoofdstukjes en beslaan gezamenlijk uitputtend de geschiedenis van het bioscoopwezen in Nederland en ruim 120 jaar vaderlandse filmgeschiedenis: van de opkomst van de bioscoop tot speculaties over de toekomst van het bioscoopbedrijf.

Een rode draad die impliciet door het boek loopt, zijn de economische belangen van de bedrijfstak. Door een eeuw geleden samen een vuist te maken nam de Nederlandse Bioscoopbond (NBB) het op tegen moraalridders, gemeentes en centrale overheid.

Dat juist in 1918 een voorloper van de NBB werd opgericht is geen toeval: het was in allerlei opzichten een cruciaal jaar in de Nederlandse filmgeschiedenis. De reizende bioscoop hadden gestaag plaatsgemaakt voor vaste bioscopen, die rond 1918 steeds luxueuzer werden: art-decopaleis Tuschinski opende in 1921. Film was een niet meer weg te denken vorm van populair amusement. Maar juist dat succes baarde zorgen. Schaadde dat vermaak de goede zeden niet? De term ‘bioscoopkwaad’ deed zijn intrede, het ‘bioscoopvraagstuk’ werd inzet van felle, morele discussies. Gemeentelijke bioscoopcommissies begonnen op eigen houtje met filmkeuring. En zo kon het gebeuren dat het ene dorp een „vieze en voze” film wel mocht zien die strenge paters een dorp verderop verboden.

Ansichtkaart uit ‘100 jaar branchevereniging van bioscopen in Nederland’: de Rembrandt-bioscoop in Amsterdam.

Willekeur was ook de norm bij het innen van vermakelijksheidsbelasting. In de ene gemeente bedroeg die 35 procent, in de andere 25. Tegen die willekeur moest opgetreden worden, vond in 1918 een groep bioscoopeigenaren. Zij wisten met veel moeite de gelederen te sluiten en vormden zo een krachtige lobby. Het resultaat: een vlaktaks van 20 procent, die begin jaren zeventig plaatsmaakte voor een btw-tarief van 14 procent. Na acht jaar soebatten volgde in 1926 de Bioscoopwet: één centrale filmkeuring deelde tot in de jaren zeventig de lakens uit.

Dit eendrachtige optreden leidde tot de Nederlandse Bioscoop Bond, een branchevereniging die niet altijd trots hoeft te zijn op zichzelf. Zo werkte de NBB in de Tweede Wereldoorlog vrij soepel mee met de bezetter, wat grote gevolgen had voor de Joodse leden die de oorlog doorgaans niet overleefden. Ook had de NBB een exclusiviteitsbeginsel: het verhuurde films alleen aan leden. Dit protectionisme leidde begin jaren zeventig tot een opstand: filmhuizen kwamen op en sloten zich aan bij het Vrije Circuit, dat buiten de NBB om kunstzinnige films importeerde.

Begin jaren negentig werd de ruzie bijgelegd en sinds 2015 zitten de oude vijanden formeel bij elkaar in één belangenclub: de Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters (NVBF), opvolger van de NBB. Uiteindelijk hebben zij één gezamenlijk belang: met luxe multiplexen of mooi verbouwde filmhuizen geld verdienen en de concurrente van allerlei ander amusement trotseren. Die strategie van professionalisering lijkt te werken: de afgelopen tien jaar nam het bioscoopbezoek toe.