Opinie

    • Ellen Deckwitz

Een stille plek

Afgelopen weekend toog ik naar de bioscoop om de nieuwe horrorhit A Quiet Place te zien. Omdat al mijn filmmaatjes kinderen hebben en daardoor mentaal geen griezelfilm meer aankunnen, ging ik in mijn eentje, wat bij horror gelukkig geen probleem is. In mum van tijd ben je vrienden met de mensen naast je: gillen en elkaar daarom uitlachen verbindt nou eenmaal.

A Quiet Place speelt zich af in een nabije toekomst, waarin de aarde bevolkt wordt door enorme vleesetende aliens. De monsters zijn stekeblind maar hebben een soort turbogehoor waardoor ze een krakende traptrede van kilometers afstand opmerken. De mensheid (of wat daarvan over is) kan alleen overleven door zich stil te houden. De kijker maakt kennis met een jong gezin dat op een afgelegen boerderij wat van het leven probeert te maken. Ze communiceren met gebarentaal: elke decibel kan immers fataal zijn. Dat de moeder hoogzwanger is, maakt het meteen superspannend: een bevalling veroorzaakt toch redelijk wat geluid, laat staan een zuigeling.

Ik werd tijdens de film steeds stiller. Niet alleen werd ik me er akelig van bewust hoeveel geluid je eigenlijk onbedoeld maakt, alleen al door te ademen of door het eten van chips, maar ook hoe vanzelfsprekend het is dat je als mens nou eenmaal geluid – en dus ook eventuele overlast – veroorzaakt. Het gehoor is een zintuig waar iedereen weleens van baalt: bellers in de stiltecoupé, blèrende kinderen, pompende muziek in kledingwinkels. Ik zet vaak mijn muziek nog maar iets harder om het verkeer of medepassagiers te overstemmen: zeker in de stad is geluidsvervuiling aan de orde van de dag.

Dankzij de film sloeg ik aan het fantaseren: hoe zalig zou het zijn als we in een wereld leefden waarin we wat meer stil (sic!) stonden bij het kabaal dat we veroorzaken. Wat zou het lekker zijn als blijkt dat lawaai echt slecht is voor je gezondheid. Dat je tegen je baas kan zeggen dat hij even niet moet praten omdat je al aan je gehoorquotum van die dag zit en hij niet wil dat je arbeidsongeschikt raakt. Of dat er een apparaatje wordt uitgevonden waardoor je mensen/dieren/bouwverkeer even uit kunt zetten, zoals bij een tv.

Toen ik thuiskwam, trilde door mijn muren een fikse basdreun. Mijn buren gaven een onaangekondigd feestje. Eigenlijk best een lekker idee, dacht ik, een wereld vol agressieve buitenaardse wezens met hypergehoor. Niet dat ze de lawaaierigen dan meteen het hoofd moesten afbijten hoor, maar een beetje in elkaar beuken zodat ze het afleren, zou toch wel leuk zijn.

En toen besefte ik dat dat wezen met hypergehoor al bestond: ikzelf. Sip nam ik een slaappil in en barricadeerde mijn oren met was.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz