Recensie

Brave expo verzwakt de schoonheid van de chaos

Juist het persoonlijke en van zijn composities van gevonden afval en weggegooide spullen bepaalt de schoonheid van het werk van kunstenaar Jan Henderikse (1937). Een expo in Schiedam toont zijn werk in onverdiend brave ordening.

Jan Henderikse: Cut-Rite 1966, Collectie Centraal Museum, Utrecht

Het is gezien, ontdekt en opgeraapt. Een plastic popje met afgesleten neus is bij een oude kurk gelegd, een houten klosje zonder garen dat tussen het drijfvuil aan de oever van de rivier lag, is naast een verdwaalde deksel terecht gekomen. Alles is gerangschikt en vastgeplakt op een ondergrond die van alles kan zijn: een fruitkist, een oud tafelblad, een aangespoelde plank. Zo ontstaat een dagboek van dingen: een associatieve, poëtische lofzang op de wereld van zwerfvuil.

Dagboek van dingen

Kunstenaar, fotograaf en filmmaker Jan Henderikse (Delft, 1937) is de schrijver van dit dagboek van dingen, al neemt hij zelden een pen ter hand. Vanaf het jaar dat Henderikse in 1959 definitief de schilderkunst vaarwel zegt en verhuist naar Duitsland (en later naar Curaçao, New York, Berlijn en Antwerpen), brengt hij de wereld met ongebreidelde nieuwsgierigheid in kaart. Zijn zoekterrein is de straat (soms letterlijk, zoals Broadway), rivieroevers, trash stores, een brug over de Rijn, de HEMA.

Hij vindt lichtgevende beeldjes van Jezus, weggegooide plastic champagnekurken, afgeschaafde doosjes Amerikaanse lucifers, lege bierkratjes, sigarettenpakjes, trekveren, mislukte toeristenfoto’s. Hij ziet, raapt, sorteert. Niets is door de hand van de kunstenaar gemaakt. Maar door de seriematige presentatie of soms juist de ‘anarchistische’ ordening, is de hand van de kunstenaar toch aanwezig. Door hem veranderen de dingen van betekenis, krijgen ze een andere inhoud en gevoelswaarde. Ze transformeren tot kunst.

Nul-beweging

Henderikse is inmiddels oud van jaren maar nog altijd de jongste van de fameuze nulgroep, die tussen 1960 en 1965 bestond. Henderikse is één van mijn favoriete kunstenaars omdat zijn beste werk – anders dan dat van bijvoorbeeld Armando - altijd ruimte schept voor het persoonlijke, voor het intieme moment van poëzie dat voorbij is zodra je het probeert te benoemen. Een rechthoekig reliëf aan de muur, een beetje wiebelig opgebouwd uit vijf zuilen van oude lucifersdoosjes, is een lange neus naar de pure esthetica (Zonder Titel, 1961). Maar tegelijkertijd vormen de schraapsels op de vlakjes fosfor van de doosjes een raadselachtig mooi tekenschrift: het is niks en alles tegelijk.

Tulpenveld

Op het overzicht ‘Alles en Niets’ dat nu in het Stedelijk Museum in Schiedam is te zien, wordt dit speelse, anarchistische en persoonlijke karakter van Henderikse’s werk helaas maar deels duidelijk.

Dat komt niet alleen door de weinig uitdagende chronologische opstelling in de zalen. Daarin komen alle episodes van het werk van Henderikse braafjes voorbij, te beginnen bij de abstracte materieschilderijen uit het begin van de jaren vijftig en eindigend bij het nu: een ‘tulpenveld’ van gekleurde plastic flessen.

Geen kunst voor muren

Ook het feit dat het werk zo keurig aan de witte museummuur is opgehangen en in de ruimte is geplaatst draagt niet bij aan de kracht van de expositie. Nergens is geprobeerd de museumzaal zelf uit zijn voegen te laten barsten met werk dat in overdaad gelooft. In het verleden is in kleine presentatieruimtes, experimentele platforms en grote musea het werk van Henderikse aan het plafond gehangen, tussen geometrische duizelingwekkend geschilderde vloeren geplaatst. Het werkte.

In de documentaire Alles is licht (2001), ook te zien in Schiedam, zegt de kunstenaar: ‘In de jaren zeventig stopte ik met kunst te maken die kon hangen of staan. Ik maakte geen kunst voor muren meer.’

Dat juist deze kunstenaar een overzicht krijgt waar alles zo netjes hangt en staat als in Schiedam, is daarom des te meer jammer.

    • Lucette ter Borg