Waarom wordt er juist nu wél ingegrepen in Syrië?

Een vermoedelijke gifgasaanval van de Syrische regering op de stad Douma leidde tot vergelding van westerse landen. Waarom wordt er na jaren van oorlog in Syrië nu wél ingegrepen?

Een man wordt geëvacueerd uit Douma, de stad die getroffen werd door een vermoedelijke gifgasaanval. Foto Aref Tammawi/EPA

Een vermoedelijke aanval met gifgas van de Syrische regering op de Syrische stad Douma leidde zaterdagochtend tot een vergeldingsactie van een westerse coalitie op militaire doelwitten in Syrië. Dat gebeurde terwijl nog niet officieel is vastgesteld of er chemische wapens zijn gebruikt en of president Assad daar verantwoordelijk voor is. Waarom leidt het gebruik van chemische wapens tot zulke heftige reacties, en wat kan tegen de inzet ervan worden gedaan?

Wat weten we over wat er is gebeurd in Douma?

Bij bombardementen op de Syrische stad Douma vielen op 7 april meer dan zeventig doden. Op beelden die door lokale hulporganisaties op sociale media werden geplaatst, was te zien dat gewonden, meer dan vijfhonderd in totaal, moesten worden behandeld aan infecties van de luchtwegen. De symptomen wijzen er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op dat de slachtoffers zijn blootgesteld aan giftige chemicaliën.

De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland trokken in de dagen daarna hun conclusies: bij de aanval op Douma werd gebruik gemaakt van chemische wapens. Volgens de westerse landen zit de Syrische regering van president Assad achter de aanval op de stad, het laatste bastion van de Syrische oppositie bij Damascus.

Syrië en bondgenoot Rusland ontkennen dat bij de aanval op Douma gebruik is gemaakt van gifgas. Het gebruik van chemische wapens en de verantwoordelijkheid daarvoor is ook nog niet officieel vastgesteld, maar de westerse coalitie heeft een onafhankelijke conclusie niet afgewacht. Zaterdagochtend vroeg voerden de Amerikanen, Britten en Fransen een vergeldingsactie uit. Daarbij werden ruim honderd raketten afgevuurd op militaire doelwitten in Syrië.

Nederland zegt „begrip” te hebben voor de vergeldingsaanval, maar steunt die niet. Het kabinet heeft te weinig informatie om te concluderen dat het Syrische regime verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik van gifgas.

In Syrië vallen dagelijks bommen. Waarom roept de aanval op Douma zo’n sterke reactie op?

Het gebruik van chemische wapens wordt internationaal gezien als een oorlogsmisdaad. Anders dan bommen zijn dit niet-explosieve wapens, die worden verspreid als gas, vloeistof of vaste stof (bijvoorbeeld in poedervorm). Met de inzet van deze wapens wordt geen onderscheid gemaakt tussen burgers of militairen; als de giftige stof eenmaal is vrijgelaten, is die schadelijk voor iedereen die ermee in aanraking komt. Chemische wapens worden daarom ook geclassificeerd als massavernietigingswapens.

Sinds 1997 is een officieel verdrag van kracht waarin staten hebben afgesproken geen chemische wapens in te zetten, te ontwikkelen of een arsenaal daarvan aan te leggen.

Lees ook deze analyse over de internationale verhoudingen na de raketaanval op Syrië: De relatie met Rusland was al ijzig, en blijft dat

Er werden eerder chemische wapens ingezet in Syrië. Hoe kon dat opnieuw gebeuren?

De Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) kwam in 2013 voor het eerst in actie in Syrië, na een aanval met saringas in de regio Ghouta (waar ook de stad Douma ligt). Het gebruik van de chemische wapens overschreed de zogeheten „rode lijn” die de toenmalige Amerikaanse president Obama had gesteld.

In plaats van de harde represailles waarmee Obama en de rest van het Westen hadden gedreigd, sloten Syrië en de internationale gemeenschap een deal. Het regime onderschreef het verbodsverdrag en liet de OPCW inspecties uitvoeren. De onderzoeksmissie, onder leiding van de huidige minister Sigrid Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verklaarde in 2014 dat de laatste chemische wapens uit Syrië verwijderd waren.

Daarmee kwam echter geen einde aan het gebruik van chemische wapens in het conflict. Tijdens een overleg van de Verenigde Naties afgelopen vrijdag beschuldigden de VS Syrïe ervan zeker vijftig keer chemische wapens te hebben ingezet.

De meeste meldingen van gifgasaanvallen in Syrië wijzen op het gebruik van chloorgas. De stof chloor is niet verboden en wordt in veel „civiele” toepassingen gebruikt, maar is als wapen dodelijk. Dit maakt de handhaving van het internationale verdrag lastig: veel bestanddelen van deze wapens vormen op zichzelf geen bedreiging en kunnen daardoor niet „los” worden verboden. De Syrische overheid zou de ontwikkeling van gifgaswapens zo hebben kunnen hervatten.

Wat kan de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens doen?

De OPCW werd in 1997 opgericht als onafhankelijk orgaan, om toezicht te houden op de wereldwijde ontwapening van chemische arsenalen en de verdere naleving van het verdrag. Het voert inspecties uit bij locaties waar eventueel chemische wapens geproduceerd kunnen worden, zoals in fabrieken. Wanneer het vermoeden bestaat dat in een conflict gebruik is gemaakt van chemische wapens kan de OPCW een onderzoeksmissie opzetten.

Het mandaat van de OPCW beperkt zich in zo’n geval tot het vaststellen van de inzet van de wapens. De inspecteurs richten zich in de onderzoeksmissies niet op de schuldvraag. De uitkomst van een onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma zal dus niet aantonen wie het vermeende chloorgas heeft ingezet tegen de bevolking.

De schuldvraag kon in eerdere gevallen wel worden beantwoord door een andere organisatie, de Joint Investigative Mechanism (JIM). Dit samenwerkingsverband tussen de OPCW en de VN werd in 2015 opgericht voor onderzoeksmissies in Syrië. Uit onderzoeken die de JIM in afgelopen jaren uitvoerde, kwam in één enkel geval ook terreurorganisatie Islamitische Staat als schuldige naar voren.

De JIM werd vorig jaar ontbonden, toen Rusland in de VN-Veiligheidsraad een veto uitsprak over verlenging van het mandaat.

Wat doen de OPCW-inspecteurs op dit moment?

De OPCW-inspecteurs zijn sinds zaterdag in Douma, maar hebben nog geen toegang gekregen tot het getroffen gebied. Dat meldden Britse en Amerikaanse afgevaardigden maandag bij een besloten vergadering van de zogeheten Uitvoerende Raad van de OPCW. Zonder toestemming kan de onderzoeksmissie de locatie niet bezoeken; de veiligheid van de inspecteurs moet wel gegarandeerd kunnen worden door en voor OPCW.

Dat is problematisch, want om vast te kunnen stellen of er chemische wapens zijn gebruikt, moeten de inspecteurs monsters nemen op de plekken waar de vermoedelijke aanval heeft plaatsgevonden.

Chemische stoffen kunnen na de aanval sporen achterlaten, maar dat verdampt vaak ook snel. Ook medische aanwijzingen, bijvoorbeeld in het bloed van mensen die met de stof in aanraking zijn gekomen, kunnen snel verdwijnen. Andere aanwijzingen kunnen hulzen zijn, waarin het vrijgelaten chemische wapen zat.

De Verenigde Staten vrezen dat Syrië en Rusland een bezoek van de inspecteurs aan de getroffen locaties in Douma voorlopig zullen blijven tegenhouden, zodat ze kunnen worden schoongemaakt. Tijdens het OPCW-spoedberaad van afgelopen maandag drongen zowel de VS als het VK er bij de raad op aan de aanval op Douma te veroordelen en de Syrische regering ter verantwoording te roepen.

De Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov ontkende maandag dat Rusland de komst van inspecteurs blokkeert.

Correctie (16 april 2018): In een eerdere versie van dit artikel stond dat Douma het laatste bastion was van de Syrische oppositie. Dit is niet juist: het was het laatste bastion van de oppositie bij de Syrische hoofdstad Damascus. Ook stond er dat er honderden raketten werden afgevuurd op doelwitten in Syrië. Het waren er ruim honderd.