Opinie

Laat rijkeluiskinderen meer collegegeld betalen

Hoger onderwijs

Zie de universiteit als een exportproduct, schrijft . Onorthodoxe maatregelen zijn volgens hem nodig om de universiteit betaalbaar te houden.
Illustratie Lars Zuidweg

Op het eerste gezicht ziet de toekomst voor Nederlandse universiteiten er rooskleurig uit. Met negen universiteiten is Nederland ruim vertegenwoordigd in de top-200 van de Shanghai-ranglijst van beste universiteiten in de wereld. In de afgelopen tien jaar is het aantal studenten met 30 procent gegroeid en is het aantal buitenlandse studenten zelfs verdubbeld – één op zes studenten komt nu uit het buitenland. De hoge kwaliteit en de lage prijs maken Nederland populair. Buitenlandse studenten zijn van groot belang voor veel universiteiten. Sterker nog, zonder de instroom van Duitse studenten zou de Universiteit Maastricht niet kunnen bestaan.

En toch zitten de universiteiten in moeilijkheden. Want terwijl de studentenpopulatie stijgt, blijft het totale overheidsbudget sinds de eeuwwisseling gelijk. Daardoor is de rijksbijdrage per student met diezelfde 30 procent gedaald, tot circa 15.000 euro. Een universiteit kan haar budget alleen vergroten door meer studenten aan te trekken. Dat leidt tot een heftige concurrentiestrijd, die de studentenaantallen doet stijgen, maar de overheidsbijdrage per student laat dalen. Zie hier in een notendop het universitaire dilemma.

Is die dalende overheidsbijdrage een probleem? In een ‘normale’ markt zou concurrentie heilzaam moeten zijn. De maatschappij krijgt meer waar voor minder geld. Bij universiteiten is er echter een complicatie. De overheid stelt het totale budget vast. De onderlinge concurrentie tussen universiteiten leidt tot meer studenten en dus een lagere rijksbijdrage per student. In een ‘normale’ markt zouden studenten die meer willen betalen voor beter onderwijs, kunnen worden bediend. In het Nederlandse universitaire systeem is dat niet goed mogelijk. En dus ligt de vraag op tafel of de huidige 15.000 euro per student wel voldoende is.

Beleidsmakers zouden zich in dit verband echter ook nog een andere vraag kunnen stellen. Indien dit bedrag per student inderdaad onvoldoende is, waarom moeten Nederlandse universiteiten dan zo nodig buitenlanders opleiden? De daling van de rijksbijdrage per student is goeddeels te wijten aan de toegenomen buitenlandse instroom. Waarom niet Nederlanders eerst? Universiteiten bieden hun diensten voor EU-studenten ver onder de kostprijs aan. Het verschil wordt bijgepast door de belastingbetaler. Waarom zou die de kosten voor onderwijs aan buitenlandse studenten op zich nemen? Die vraag is in juridisch opzicht moeilijk – Nederland mag studenten uit andere EU-landen niet zomaar weren –, maar in de praktijk wel relevant. Een goed antwoord vereist iets dat schijnbaar niet past in deze tijd: een visie.

Het is niet populair om over universiteiten te praten in termen van concurrentiepositie en marketing. Een universiteit is immers geen bedrijf. Toch, wie nadenkt over meer financiële armslag voor het hoger onderwijs, moet zich een beeld vormen van het rendement van die investering. Een afweging tussen extra middelen voor bijvoorbeeld zorg of hoger onderwijs, vraagt om een inschatting van de maatschappelijke opbrengst. Hoger onderwijs is voor Nederland een belangrijk exportproduct. Engeland is in Europa koploper. Door de snelle groei van het aantal buitenlanders heeft ons land zich echter ontwikkeld tot een serieuze concurrent.

Ed Glaeser, hoogleraar stedelijke economie aan Harvard, laat zien hoezeer de welvaart van steden afhankelijk is van hun universiteiten. In de jaren zeventig maakten Boston en Detroit een diepe crisis door; Boston vanwege zijn haven, Detroit vanwege de auto-industrie. Detroit herstelde zich nooit, Boston is weer booming. Het verschil zit ‘m in twee woorden: Harvard en MIT (Massachusetts Institute of Technology).

„Reinventing the city”, noemt Glaeser dat. Hoger opgeleiden kunnen een stad heruitvinden. Welvaart hangt tegenwoordig vooral af van ‘regionale clusters van hoogwaardige activiteit’. Universiteiten spelen daarin een sleutelrol, ook in Nederland. De ondergang van de textielindustrie trof Tilburg en Enschede zwaar. Beide steden kregen een universiteit, die veel heeft bijgedragen aan hun herstel. Eindhovens wonderbaarlijke herstel is te danken aan het samenspel van de technische universiteit en het bedrijfsleven. Nederland heeft er dus alle belang bij de universiteit als exportsector te koesteren.

Is de 15.000 euro die Nederland per jaar voor een student uittrekt voldoende? Laten we kijken naar de onbetwiste marktleider in het hoger onderwijs: de Verenigde Staten. Amerikaanse universiteiten streven niet naar winst, maar dat staat een felle onderlinge concurrentie niet in de weg. Zeker voor de topuniversiteiten is er één geïntegreerde nationale markt. Zo concurreert Harvard direct met Stanford, ook al ligt Stanford duizenden kilometers verder weg. Terwijl de markt ruimtelijk steeds meer integreert, neemt de marktdifferentiatie naar kwaliteit toe. Topstudenten gaan naar topuniversiteiten. Boston en Detroit groeien dus verder uit elkaar.

Hoeveel geeft een Amerikaanse universiteit gemiddeld per jaar uit aan een student? Voor de grote massa van de universiteiten is 15.000 euro een redelijke schatting. Maar voor de beste tien procent liggen de uitgaven per student echter een factor tien hoger.

Zijn die uitgaven ook nuttig? Het antwoord op die vraag is niet eenvoudig. Amerikaanse topuniversiteiten hanteren een scherp toelatingsbeleid. Een student die op een topuniversiteit wordt toegelaten gaat bij voorbaat meer verdienen, simpelweg omdat alleen de beste studenten worden toegelaten.

Met moderne statistische methoden kun je daarvoor corrigeren. Het antwoord na correctie was voor mij verrassend: zowel die 15.000 dollar voor de ‘gewone’ student als de 150.000 dollar voor de topstudent blijken ongeveer ‘juist’ te zijn: de extra opbrengsten in de vorm van een hoger salaris wegen bij benadering op tegen de extra uitgaven. Omdat over dat extra salaris belasting wordt betaald, profiteert de rest van de samenleving daarvan mee. Veel studies suggereren dat er nog andere ‘externe’ opbrengsten zijn. Ik laat dat hier rusten.

In Nederland kan goed onderwijs misschien goedkoper omdat de universitaire salarissen hier lager zijn. Maar een factor tien kun je daarmee niet verklaren. De optimale uitgaven per studiejaar verschillen dus sterk van student tot student; 15.000 euro is voor de gemiddelde student redelijk, maar voor de beste studenten veel te weinig. One size does not fit all.

Amerika is niet in alle opzichten een lichtend voorbeeld. Het land kent een exploderende inkomensongelijkheid, iets waar alle Nederlandse politieke partijen op tegen zijn. Bij ons bestaat het gevoel – deels juist, deels onjuist - dat Amerikaanse universiteiten daarvan mede de oorzaak zijn. Maar net zoals de Nederlandse belastingbetaler, wil ook zijn Amerikaanse evenknie niet te veel belastinggeld besteden aan onderwijs voor een kleine elite. Ondanks alle verschillen tussen beide landen is het dus nuttig om te kijken hoe Amerika de financiering van het universitair bestel heeft geregeld. Wie betaalt die hoge uitgaven per student aan een topuniversiteit? Dat is deels de student, maar zeker niet alleen. Het officiële collegegeld is weliswaar hoog, zeg 50.000 euro, maar dat is nog altijd veel minder dan de eerder genoemde kosten.

Bovendien betaalt lang niet iedereen het officiële tarief. Een topuniversiteit moet de beste studenten trekken. Een studie aan Harvard moet worden gezien worden als een signaal van grote capaciteiten – niet als een bewijs van rijkeluisafkomst. Zou Harvard de schaarse toelatingsnummers slechts aan de hoogst biedende verkopen, dan is het met haar reputatie snel gedaan.

Lang niet iedere topstudent kan zich een topcollegegeld veroorloven. En dus passen Amerikaanse universiteiten prijsdiscriminatie toe. De zoon van de miljardair betaalt veel meer dan het talent uit de Bronx. Er bestaat een uitgebreid systeem van inkomensafhankelijke studiebeurzen. Het gemiddelde feitelijke collegegeld is dus fors lager dan 50.000 euro.

Dus wordt ook het onderwijs op topuniversiteiten fors gesubsidieerd. Wie betaalt die subsidie? Zoals Caroline Hoxby, hoogleraar onderwijs economie aan Stanford, dat beschrijft: een Amerikaanse topuniversiteit ‘belegt’ in zijn studenten. Alumni van Harvard Business School worden niet allemaal miljardair, maar een enkele Bill Gates is al voldoende. De dividendbetaling voor deze ‘belegging’ is weliswaar niet wettelijk afdwingbaar, maar in de praktijk schenkt Bill Gates wel. Prijsdiscriminatie op basis van ouderlijk inkomen en het verwachte inkomen van de alumnus helpt dus bij de financiering van toponderwijs.

Politieke partijen in Nederland willen niet meer belastinggeld voor het hoger onderwijs uittrekken, zelfs ‘onderwijspartij’ D66 niet. Tegelijkertijd is de financiering van Nederlandse universiteiten op een gevaarlijke ondergrens gestuit. De huidige weg loopt dood. Een mogelijke oplossing bestaat uit drie delen.

Ten eerste: verschuif de besteding van het belastinggeld van de rechtstreekse financiering van universiteiten naar beurzen voor studenten. Laat tegelijkertijd universiteiten zichzelf financieren via hogere, meer kostendekkende collegegelden. Voor Nederlandse studenten is dat vestzak-broekzak: meer beurs in ruil voor een hoger collegegeld. Het zet echter een rem op de besteding van Nederlands belastinggeld aan buitenlandse studenten, zonder een directe beperking van de instroom uit andere EU landen. Die betalen immers dan een hoger collegegeld. Het heeft nog een voordeel. Nu hebben universiteiten er financieel baat bij om studenten uit niet-EU-landen voor te trekken boven EU-studenten (dus ook Nederlanders). Voor deze groep zijn ze niet gebonden aan de EU-regels en mogen ze hogere collegegelden vragen.

Ten tweede: maak het universiteiten mogelijk om meer dan nu tussen opleidingen te differentiëren: naar toelatingseisen, naar de uitgaven per student, naar het bijbehorende collegegeld. Immers: one size does not fit all.

En ten derde, zeker voor opleidingen met een hoger collegegeld: sta universiteiten toe het collegegeld te differentiëren naar ouderlijk inkomen. Langs deze lijnen kan Nederland maximaal profiteren van de uitstekende universiteiten die het in de loop der tijd heeft opgebouwd. Die kans moeten we niet laten lopen.