Bommen op Syrië zullen opmars van Assads leger niet stuiten

De westerse aanval op Syrië is vernederend voor president Assad. Maar waarschijnlijk ook niet veel meer dan dat.

President Bashar al-Assad loopt een overheidsgebouw binnen in Damascus. Screenshot uit een video die zaterdag op Twitter geplaatst werd door de Syrische overheid. AFP / Twitteraccount President Assad

Zoals voor elke staat, is het ook voor het regime van de Syrische president Assad vernederend als er raketbeschietingen op zijn grondgebied worden uitgevoerd, zonder dat het veel kan terugdoen. Dat geldt ook voor de luchtaanvallen zaterdag van de Amerikanen, Fransen en Britten op drie doelen die volgens hen verband hielden met chemische wapens. Het gold eveneens voor de luchtaanvallen die Israël vorige week uitvoerde op een basis bij de stad Homs.

Juist omdat het regime er een zwakke indruk door maakt verkiest het doorgaans zulke aanvallen maar zoveel mogelijk te verdoezelen. Zaterdagmorgen sprak de staatstelevisie, de spreekbuis van het regime, slechts van een aanval op een onderzoeksfaciliteit, die beschadigd zou zijn geraakt. Over chemische wapens werd met geen woord gerept. Wel meldde de staats-tv dat er een dozijn raketten zou zijn neergeschoten.

Lees ook het laatste nieuws over de militaire actie in ons liveblog

Maar al is de aanval van zaterdagmorgen de grootste van het Westen op doelen in Syrië sinds het begin van de oorlog in 2011, voor het verloop van de oorlog zal die aanval van zaterdagmorgen naar verwachting geen verschil maken. Zoals ook de vergeldingsactie met kruisraketten op last van de pas aangetreden president Trump een jaar geleden na een andere aanval van Assads leger met chemische wapens feitelijk niets uitmaakte.

Zelfs de overgebleven oppositiegroepen verwachten er weinig heil van. „Misschien dat het regime niet opnieuw chemische wapens zal inzetten maar het zal niet aarzelen om wapens te gebruiken”, zei oppositieleider Nasr al-Hariri tegen Reuters. Het persbureau haalde ook een opstandeling aan die zei nu juist te vrezen voor wraakaanvallen van het regime.

Bloedig offensief

De opmars van het leger van Assad en zijn Russische en Iraanse bondgenoten zal er hoe dan ook niet door worden gestuit. Juist vorige week sloot het regeringsleger een groot en zeer bloedig offensief af met de verovering van de gehele rebellenenclave in Oost-Ghouta, onder de rook van de hoofdstad Damascus. De laatste rebellen van Jaish al-Islam (Leger van de Islam) lieten zich na Russische bemiddeling ten slotte met hun familie per bus afvoeren naar de noordwestelijke regio Idlib.

Voor hen betekent dat vermoedelijk niet meer dan uitstel van executie. Assad heeft zelf bij herhaling verklaard dat hij het hele Syrische grondgebied weer onder controle wil krijgen. Dat geldt dus ook voor Idlib en even zeer voor Afrin, de onlangs door Turkije op de Koerden veroverde grensregio, en uiteindelijk ook voor de nu autonome Koerdische regio in het noorden en noordoosten van het land.

Het zou trouwens ook kunnen dat een deel van de geëvacueerde strijders van Jaish al-Islam voordien al is geliquideerd door rivaliserende rebellen in Idlib, dat al langer geldt als een bolwerk van radicale fundamentalisten. Vorige week circuleerden er berichten dat Haaty Tahrir al-Sham, het vroegere aan Al-Qaeda gelieerde Al-Nusra dat in Idlib machtig is, jacht maakte op strijders van Jaish al-Islam. Ze hadden namelijk nog een appeltje te schillen met Jaish omdat dat eerder in de oorlog in Oost-Ghouta nogal wat strijders van Nusra zou hebben gedood.

De wreedheid van de rebellen overtreft soms nog die van Assads regime. Een vrijgelaten fotograaf uit Douma in Oost-Ghouta, die jaren onder Jaish gevangen zat, vergeleek hen deze week zelfs met Islamitische Staat. Veel Syrische burgers verafschuwen Assads regime maar ze zijn vaak nog bevreesder voor de verschrikkingen van een fundamentalistisch rebellenbewind.

Westen vreest fundamentalisten

Ondanks al Trumps retoriek over „het beest” Assad zien ook Israël en de Verenigde Staten hem liever aan het bewind in Damascus dan een onberekenbaar fundamentalistisch regime. Ook veel Europese leiders denken er zo over. Maar hardop zullen ze dat geen van allen gauw zeggen.

Hoeveel macht Assad nog heeft, is intussen niet helemaal duidelijk. Het is waar dat hij er beroerd voor stond voor Rusland en Iran hun militaire hulp aanzienlijk opvoerden in 2015. Nog altijd ook is hij flink afhankelijk van deze machtige bondgenoten. „Maar het is niet zo dat Assad nu een marionet is van de Russen”, verklaarde de Nederlandse Syrië-kenner en oud-diplomaat Nikolaos van Dam onlangs tegen NRC. Hij kan nog altijd voor een belangrijk deel bepalen wat er in zijn land gebeurt.

Dat de Amerikanen, al dan niet geholpen door Fransen, Britten of andere westerse landen, te elfder ure alsnog zouden besluiten tot een werkelijk substantiële interventie, waarbij meer Amerikaanse levens op het spel zouden worden gezet, lijkt onwaarschijnlijk. Veel valt er voor hen niet te winnen in het zwaar verwoeste land met zijn door zeven jaar oorlog murw gebeukte bevolking. Hooguit kunnen ze strategische tegenstanders als Rusland en Iran wat hoofdpijn bezorgen.

De Russen hebben weliswaar gezegd tegenmaatregelen te zullen nemen maar ze zullen de zaak naar verwachting niet te hoog willen opspelen. Door hun interventie in Syrië is hun positie in het Midden-Oosten versterkt. Er is geen onmiddellijke reden om die strategische winst weer op het spel te zetten.