Samen hopen op nog één magisch duel, tegen Ajax

Twintig jaar bij PSV Redacteur Enzo van Steenbergen ging twintig jaar met zijn vader naar PSV. De voetbalwereld werd steeds commerciëler, maar die avonden bij PSV bleven hetzelfde. Dit seizoen is hun laatste. Ze hopen op een kampioenschap tegen Ajax.

Enzo van Steenbergen en zijn vader André, met verrekijker.

Op de werkkamer van mijn vader hangt een kindertekening. Ik maakte hem in het eerste seizoen dat we samen een seizoenkaart van PSV hadden. Twintig jaar geleden, we gingen op de fiets naar het stadion en Ruud van Nistelrooij stond in de spits. Hij zou later de beste aanvaller van de wereld worden, bij Manchester United en Real Madrid. Maar die dag, een koude novemberavond, kreeg hij tegen De Graafschap een rode kaart nadat hij een trappende beweging maakte richting zijn tegenstander.

De arm van de scheidsrechter staat op de tekening, Van Nistelrooij kijkt met een verbaasde blik op. ‘Mercedes-Benz’, dat ik op de reclameborden had gezien, kon ik nog niet goed spellen. Van die dag herinner ik me het gefluit van tienduizenden mensen, de geur van frikandellen en bier, hoe groot het stadion was, de mensenmassa en het kabaal bij een doelpunt. En daar, op de Noordtribune, had ik sinds dat jaar een eigen stoeltje. Ik was acht jaar oud.

Een paar maanden daarvoor was ik door mijn vader, André, weggeroepen van het pleintje achter onze schutting, in een woonwijk vlakbij het centrum van Eindhoven. De wijk Stratum, een straat met klinkers en aan het einde een kerk. Hij vertelde dat we elke thuiswedstrijd op de fiets naar het stadion zouden gaan en, in het echt, 17 wedstrijden mochten zien. Ik rende juichend naar buiten en trapte, in PSV-tenue (shirt, broekje én sokken) honderd keer een bal tegen de rode bakstenen muur met een barst erin.

Twintig jaar zijn we samen naar PSV gegaan, mijn vader en ik. Hij was al die jaren economiedocent op een havo/vwo-school in Eindhoven, zijn haren gingen van grijs naar wit, het pensioen nadert. Er waren geboortes en sterfgevallen in de familie, ik ging naar de middelbare school, studeren en werken. Verhuisde naar Utrecht, daarna naar Amsterdam. Elke twee weken met de trein naar PSV. De avonden op de tribune zo vanzelfsprekend dat niemand eraan wilde morrelen. Tot een paar jaar geleden - ook toen ik al een baan had – betaalde hij mijn seizoenkaart, omdat het altijd zo was geweest.

Rood voor PSV-spits Ruud van Nistelrooij in de thuiswedstrijd tegen De Graafschap ( november 1998).

Veranderende voetbalwereld

In die twintig jaar zagen we de voetbalwereld veranderen. Natuurlijk, er kwam wifi in het stadion en overal zie je negentig minuten lang schermpjes oplichten. Ik app na een doelpunt vaak ook een duimpje of gebald vuistje naar vrienden. Er kwam een stroboscopische lichtshow voor de wedstrijd, en dit seizoen ook na ieder doelpunt. Wat niet veranderde: Tina Turner voor de aftrap. Simply the best.

De eerste wedstrijden van dit seizoen kwam de helft van het publiek niet op tijd binnen, omdat de nieuwe digitale toegangspoortjes niet werkten. Een drankje bestellen in de rust is een ondoordringbaar spektakel geworden met betaalkaarten, waardoor rijen zo lang zijn dat veel mensen tijdens de wedstrijd naar de bar lopen.

Toen bij PSV – NAC Breda een supporter in die rij keihard riep dat de service net zo slecht was als het voetbal, klonk instemmend gemompel uit de mannenmassa. Na afloop proppen honderden mensen zich in heel korte treinen die pas bij Den Bosch weer een beetje leger raken.

Allemaal niet erg, hoort erbij. Maar het telt op. In februari meldde PSV, niet zonder trots, dat de prijs van seizoenkaarten volgend seizoen niet omhoog gaat. Dat is opmerkelijk, want iedereen is er al aan gewend dat die prijzen hoger en hoger worden. De verwarming op de tribunes had het bijna de hele winter niet gedaan, dus vond PSV het niet kunnen de prijs weer te verhogen.

Enzo’s tekening van de rode kaart.

Maar er zijn betere redenen te bedenken. Voor onze seizoenkaart betalen we 480 euro, meer dan het dubbele vergeleken met twintig jaar geleden. Die kaart kostte toen 460 gulden. Tussen 2006 en 2016 alleen al werd de kaart 37 procent duurder. En nee, dat loopt niet gelijk op met de inflatie.

Terwijl Luuk de Jong toch echt geen Ruud van Nistelrooij is, Daniel Schwaab niet de Braziliaanse verdediger Alex en Jorrit Hendrix geen Mark van Bommel.

Spelers naar Europese topclubs

Die spelers gingen naar de absolute top van Europa: Manchester United, Chelsea, Bayern München. Luuk de Jong is een sympathieke speler en werkt keihard, maar mislukte eerder bij de Duitse middenmoter Borussia Mönchengladbach. Daniel Schwaab mocht weg bij VfB Stuttgart en Jorrit Hendrix moet nog bewijzen een stapje hogerop te kunnen.

We zien, zeg maar, niet meer de wereldklasse van het Koninklijk Concertgebouworkest (kaartje: 44 euro), maar de regionale klasse van het Symfonie orkest Eindhoven (kaartje: 17,50 euro). Dat is prima. Maar daar horen dan wel lagere prijzen bij. Alleen werkt dat in de voetbalwereld blijkbaar niet zo.

Daar kan PSV niet veel aan doen – het is een nationaal en zelfs mondiaal verschijnsel. Bij Manchester United was een groep supporters zelfs zó gefrustreerd over de vercommercialisering, dat ze een eigen club hebben opgericht die op amateurniveau begon te voetballen: FC United of Manchester.

Lees waarom Fox Sports PSV-Ajax ook in virtual reality uitzendt

Zo keren meer mensen zich af van het voetbal op het hoogste niveau. Eind vorig jaar bleek uit onderzoek van EenVandaag dat bij meer dan de helft van alle voetbalclubs de toeschouwersaantallen in de afgelopen vijf jaar zijn gedaald. Een cijfer waar iedere voetbalbestuurder van moet schrikken.

Want als zelfs vaders en zonen, vriendengroepen en collega’s hun tradities verruilen voor wat anders, dan heeft het voetbal een probleem. En dan heb ik, als PSV-supporter, nog makkelijk praten. Thuis wint PSV bijna alles. En in de twintig jaar dat ik op de tribune zat, werd mijn club tien keer kampioen (moeten ze dit seizoen nog wel echt kampioen worden). Mijn vader heeft dat allemaal netjes genoteerd in zijn schoolagenda’s, die zo nu en dan uit de kast worden gehaald.

Seizoenkaarten van PSV door de jaren heen.

Vooral dat ene exemplaar, van 2006-2007, specifiek zondag 29 april. Want uiteindelijk ga je naar het stadion uit traditie, maar zeker ook om samen die paar magische wedstrijden mee te maken.

Het was warm die dag. Ik was tenniscompetitie aan het spelen, ergens buiten Eindhoven. Die middag moest ik nog dubbelen, maar ik liet iemand anders op het wedstrijdformulier zetten. Met mijn moeder, die altijd kwam kijken, liep ik richting de auto. Vol twijfel, want het ging bij PSV nergens meer over deze laatste wedstrijd van het seizoen, en die tenniswedstrijd was wél belangrijk. Ga toch maar gewoon, zei ze, anders moet je vader alleen.

Het werd de dag dat niet AZ, niet Ajax, maar toch weer PSV kampioen werd. AZ verloor bij Excelsior, Ajax kwam niet verder dan een 0-2 overwinning in Tilburg en met die uitslagen moest PSV met vier doelpunten verschil winnen van Vitesse om kampioen te worden. Het werd 5-1.

Toen draaide hij zich om, pakte mijn schouders vast en schudde me door elkaar. Het is niet waar! Het is niet waar!

Na het laatste fluitsignaal begon het wachten, de andere duels waren nog niet afgelopen. Niemand wist wat er zou gebeuren. Die tinteling die ik als achtjarige voelde, was helemaal terug.

Ik herinner me vooral het geluid. Dat kwam van de fanatieke aanhang op de Oosttribune en joeg als een windvlaag langs de tribunes. Mensen schreeuwden, gilden, vielen elkaar overal in de armen. Op het veld begonnen de eerste spelers te juichen. Ik zag de Braziliaanse keeper, Gomes, die op zijn knieën viel met zijn handen naar de hemel.

Toen ik naast me keek stond mijn vader, zeer rustig van aard, met zijn handen op zijn hoofd en zijn mond wijd open. Verbijsterd. Als laatste in het hele stadion had hij volgens mij durven juichen.

Toen draaide hij zich om, pakte mijn schouders vast en schudde me door elkaar. Het is niet waar! Het is niet waar! Het is niet waar! We schreeuwden, juichten, schreeuwden nog harder en bleven nog uren in het stadion, omdat die dag nooit meer zou moeten stoppen.

Jaloers op onze traditie

Het zijn de momenten waardoor mijn vrienden jaloers zijn op onze traditie. Met je vader naar het voetbal, dat is niet velen gegeven. Mompelend vloeken op de spelers. In de rust vragen hoe het thuis gaat, of met mijn moeder alles goed is, en dat hij dan vraagt of ik nog gescoord heb in mijn amateurpotje die middag.

Klassieker in mijn vriendengroep is de foto van mijn vader die op de tribune met zijn verrekijker naar beneden kijkt om het beter te kunnen zien.

Na het seizoen 2012-2013 zegde hij onze seizoenkaarten op. PSV was vijf jaar geen kampioen geworden, het voetbal was slecht, de kaart duur. Waarom zou je niet op televisie kijken, dacht hij, waar je alles toch al veel beter kan zien?

Een vriend en oud-collega van mijn vader, Sjef, greep in. Er was al een wedstrijd geweest toen hij zei dat we dit niet zomaar konden stoppen. Hij wilde wel mee naar het stadion. We kochten tóch weer een seizoenkaart. Sjef zorgde ervoor dat het zondag weer kan gebeuren, zo’n magische dag. Kampioen worden tegen Ajax in ons laatste seizoen op de tribune. Een droom.

De schoolagenda 2006-2007 van vader Van Steenbergen, met de kampioenswedstrijd tegen Vitesse.

Daarna stopt het. Amsterdam – Eindhoven, meer dan drie uur onderweg voor een wedstrijd van negentig minuten. In de regen, in de kou, soms voor een wel heel magere wedstrijd. En ja, ook dan is de opluchting enorm na dat ene doelpunt tegen Excelsior en is de terugreis lekker (vooral dat ene stukje, vlakbij station Amsterdam Bijlmer ArenA). Maar het is nèt teveel, nèt te ver weg om iedere twee weken naar Eindhoven te reizen.

Er zijn supporters die het ervoor over hebben, die het blijven doen. Gelukkig maar. Ik hoop dat de tribunes altijd vol blijven zitten. Zonder volle tribunes geen magie.

Met Pasen heb ik het verteld. Het kwam niet onverwacht. Ik gaf mijn vader een ingelijste foto – die met de verrekijker. Als herinnering aan een tijd waarin we samen genoten van voetbal en het samenzijn. Of we nu naar de beste spelers ter wereld keken of naar droevig slecht voetbal.

Eigenlijk was ik meteen vanaf dat moment bang het te gaan missen. Want alles veranderde, maar voor ons – op die stoeltjes aan de Noordkant van het stadion – veranderde ook weer heel weinig.