Regen is nieuwe bedreiging voor gevluchte Rohingya

Rohingya in Bangladesh

Na hun vlucht uit Birma vormen ruim 600.000 Rohingya-moslims in Bangladesh het grootste vluchtelingenkamp ter wereld. Regen dreigt een groot deel van hun hutjes weg te spoelen.

Geïmproviseerde tent van een Rohingya familie in een vuchtelingenkamp in Bangladesh. Foto Tomas Munita/Hollandse Hoogte

Voorbereid op het regenseizoen is Latifa niet. Ze heeft andere dingen aan haar hoofd. Haar man zit in de cel aan de andere kant van de grens, in Birma. Als hij nog leeft. Haar oudste dochter is hier in Bangladesh in het vluchtelingenkamp getrouwd, maar ze vindt hem een schoonzoon van niks. Hij blijft haar maar om geld vragen. Ze denkt dat hij verslaafd is aan drugs, aan metamfetamine.

Voor haar andere twee dochters, vijftien en zestien, komen bijna elke dag families aan de deur om te vragen of ze willen trouwen met één van hun zoons. Maar Latifa heeft geen geld om de bruidsschat te betalen. Ze is er ziek van, zegt ze, haar bloeddruk is te hoog.

De zon schijnt fel door de kieren van het dak van Latifa’s hut. De muren zijn van gevlochten bamboe. Koken doet ze buiten; als het straks gaat regenen heeft ze geen afdak. Hoe dan ook is de vraag of haar huisje dan overeind blijft staan. Het ligt op een heuvelrand, het zand brokkelt nu al onder de muren vandaan.

Welkom in het mega camp. Zo noemen hulporganisaties de verzameling hutjes waarin ruim 618.000 Rohingya-moslims wonen. En het ís mega: het zou je ruim drie uur kosten om van de oostgrens naar het westen te lopen. Van noord naar zuid meer dan zeven uur. Langs eindeloze rijen hutjes, over heuvels zonder bomen en met overal kinderen, want meer dan de helft van de vluchtelingen is jonger dan achttien jaar.

In een paar maanden is het zuidelijkste puntje van Bangladesh uitgegroeid tot het grootste vluchtelingenkamp ter wereld. Sinds augustus vorig jaar vluchtten Rohingya-moslims massaal uit hun dorpen in buurland Birma. Daar stak het leger hun huizen in brand, werden hun dochters verkracht en broers, echtgenoten en vaders vermoord. Nog steeds komen Rohingya de grens over, al zijn het er geen tienduizenden per dag meer.

Foto European Union/ECHO/KM Asad
Foto European Union/ECHO/KM Asad

Nu staat de volgende ramp hen te wachten: het regenseizoen. Vanaf de maand april komen cyclonen geregeld voor in deze regio. En in juni begint ook de moesson, met vaak zware regenval.

„Het risico op landverschuivingen en overstromingen is groot”, zegt Abul Kalam Azad, de Bengaalse commissaris die de leiding heeft over de kampen in het hele district. Ziektes verspreiden zich makkelijker als de boel overstroomt – denk aan een latrine vol uitwerpselen die gaan drijven. In december hadden ze een uitbraak van difterie, nu zijn de eerste gevallen van cholera al bekend.

Snelcursus hut-bouwen

Volgens Azad moeten ten minste 200.000 vluchtelingen verhuizen omdat ze het risico lopen dat hun hutten overstromen of wegspoelen. In het kamp zie je hoe moeilijk het is om dit aantal precies te schatten. Het ene hutje staat net een paar meter dieper het dal in dan het andere. Loopt het ene gezin dan wel risico en het andere niet?

De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) probeert dit wel in kaart te brengen. Bijvoorbeeld in kamp 20, een zone in het westen van het megakamp. Eén van hun werknemers heeft hier de helling van de heuvels beoordeeld en naar de vegetatie gekeken. Want hoe minder planten en bomen ergens nog staan, hoe makkelijker de aarde schuift als het gaat regenen. Op het kaartje dat hij laat zien is de helft van het gebied rood gekleurd. Dit is risicogebied. Uit alleen al deze zone moeten achthonderd gezinnen verhuizen.

Manuel Pereira is noodhulpcoördinator bij IOM. Hij wijst in de verte naar wat witte stipjes, nieuwe hutten. Dáár zijn ze nu bezig om nieuwe, beter gestructureerde kampen te maken. In de rest van het megakamp is die planning erbij in geschoten, er kwamen te veel mensen tegelijk binnen.

Beelden van het vluchtelingenkamp in Cox’s Bazar, Bangladesh (oktober 2017)

Deze maand moeten de meeste gezinnen zijn verhuisd – een race tegen de klok. Toegang tot het nieuwe gebied is lastig, er zijn geen wegen waar auto’s overheen kunnen. Het is ook moeilijk om de Rohingya zover te krijgen dat ze wéér verkassen. Daar hebben ze vaak helemaal geen zin in, ze willen in het ‘buurtje’ blijven dat ze nu net kennen. „Wij kunnen niet zeggen: jij gaat wel en jij niet, als het ene gezin uit een gemeenschap wel risico loopt en het andere niet”, zegt Manuel Pereira.

Intussen kunnen alle gezinnen extra spullen ophalen om hun hut beter bestand te maken tegen de regen. Elk huishouden heeft ‘recht’ op een zeildoek, zestig bamboestokken en dertig zandzakken. Ze krijgen een snelcursus hut-bouwen: zó maak je de stokken goed aan elkaar vast. En zo verstevig je de onderkant van de palen met kleinere stokken, zodat ze beter in de grond blijven zitten.

Negen kilo linzen

Bij het uitdeelpunt van rijst staan mannen en vrouwen onder een afdak geduldig in de rij. Kleine gezinnen, van één tot drie personen, krijgen elke maand dertig kilo rijst, negen kilo linzen en drie liter olie. Grote gezinnen, van vier tot zeven personen, krijgen het dubbele.

In de kampen is 80 tot 90 procent van de mensen afhankelijk van deze hulp, vertelt Suranga Mallawa. „En dat verandert voorlopig niet.” Zij werkt in de stad Cox’s Bazar voor Echo, het noodhulpbureau van de Europese Commissie. Bijna 40.000 kinderen in de kampen zijn ernstig ondervoed, 120.000 lijden aan matige ondervoeding. „Er is veel meer geld nodig om iedereen dit jaar te eten te kunnen geven”, zegt Mallawa. Volgens het World Food Programme van de Verenigde Naties is 230 miljoen dollar nodig, dat is 187 miljoen euro.

De afhankelijkheid en uitzichtloosheid zitten Reduwna, ze is achttien jaar, het meeste dwars. Haar knalgroene hoofddoek valt op, de meeste vrouwen hier dragen zwart. In Birma studeerde ze, al moest ze daar extra voor betalen omdat ze Rohingya is. Ze wilde lerares worden. „Hier heb ik geen doel meer.”

Haar familie besloot vorig jaar te vluchten toen het Birmese leger in hun dorp huishield. Verkrachtingen, geweld, brand. De tocht naar Bangladesh duurde zeventien heuvels en vijfentwintig dagen. Reduwna’s vader ligt nog in het ziekenhuis, hij werd neergeschoten. Ze laat het Birmese bankbiljet zien dat hij volgens haar in zijn borstzakje had zitten. Er zitten brandgaten in. Ze woont hier samen met haar zus, haar man is overleden. In het kamp vindt ze niks leuk. „Al heb ik sinds kort een paar vriendinnen, dat is tenminste iets.”

De hulporganisaties proberen wel om de Rohingya iets meer zelfstandigheid te geven. Het World Food Programme deelt bijvoorbeeld sinds kort pasjes uit met saldo erop. Dan kunnen de vluchtelingen zelf inkopen doen in een kampwinkel, in plaats van de standaard zakken rijst te moeten aannemen.

In de winkel heeft een vrouw met een gele hoofddoek op het lijstje aangekruist wat ze wil hebben: 100 kilo rijst, twee zakken aardappelen, een fles olie, een zak uien en chilipepers. Hebben zij en haar gezin hier genoeg aan, voor een maand? „Inshallah”, als God het wil. Ze zou best weer eens kip of vis lusten, zegt ze, dat heeft ze al zeven maanden niet gegeten. Maar dat verkopen ze hier niet.

In het ‘Megacamp’ in het zuiden van Bangladesh.Foto European Union/ECHO/KM Asad

Eerste letters Birmees

De Bengaalse overheid hamert erop dat de kampen tijdelijk zijn. De Rohingya moeten een keer terug naar Birma, is hun uitgangspunt.

In de praktijk betekent het dat niemand iets permanents in de kampen mag bouwen, zoals bakstenen huizen. Ouderen mogen niet werken en kinderen mogen niet naar school. In de kampen zijn alleen ‘leercentra’, waar de kleintjes dansen, zingen en hun eerste letters Birmees leren. Geen Bengaals, dat zou betekenen dat ze een toekomst in Bangladesh mogen verwachten.

Ook hulporganisaties hebben het soms moeilijk met de overheid. Natuurlijk is het goed dat ze de Rohingya hebben binnen gelaten, zeggen ze. Maar intussen kunnen meerdere hulporganisaties niet aan de slag in het gebied omdat de autoriteiten hen geen vergunning geven. Samen hebben zij 14 miljoen dollar (11,4 miljoen euro) aan donaties liggen, waar ze nu niets mee kunnen. En pas toen artsen in december ook bij Bangladeshi vaststelden dat ze difterie hadden, kwamen de medicijnen en vaccinaties ineens soepel door de douane.

Onze relatie is goed. We zijn allemaal zussen

Aisha Katum, Bengaalse vrouw die acht vluchtelingen onderdak biedt

Aisha Katum woont een half uurtje rijden ten zuiden van het megakamp, ze biedt een slaapplek aan acht en soms wel tien Rohingya. „Ik geef ze nu al een maand te eten. En de kinderen eten het fruit uit de bomen.” Tijdens de grote piek, in september vorig jaar, ging Katum vaak naar de plek aan de rivier waar de vluchtelingen aankwamen. „Ze hadden dagen gelopen en de kinderen waren zo zwak en klein. Ze hadden water en eten nodig.”

Voor haar dorp betekenen de honderdduizenden extra mensen weinig goed nieuws. Haar kinderen hebben werk nodig, maar de Rohingya doen het voor minder. Illegaal, natuurlijk. Voor een dag werken op het land kregen de Bengalen hier tussen de 400 en 500 taka, dat is 4 of 5 euro. De vluchtelingen werken voor 200 of 300 taka per dag.

Toch zijn Aisha Katum en haar buurvrouwen, ze zijn met een groepje, niet negatief over de Rohingya. Ze hebben zoveel geleden, zeggen ze, in Birma worden ze gediscrimineerd en gemarteld. Ze hebben ook hun geloof met elkaar gemeen, dit deel van Bangladesh is streng islamitisch. En al heeft niemand enig idee hoe lang ze hier nog samen moeten leven, zij komen er wel uit. „Onze relatie is goed. We zijn allemaal zussen.”