Arnon Grunberg brengt een week door met een jongere die dreigt te ontsporen

Jeugdhulp

Als schrijver Arnon Grunberg hoort wat een ‘JIM’ is – een vertrouwenspersoon van een jongere die dreigt te ontsporen – is hij benieuwd hoe dat werkt. Hij loopt een week mee met de 14-jarige Layla en haar JIM. Layla lijkt aan iedereen te ontglippen. Ook aan de schrijver.

Olivier Middendorp

Op 12 augustus 2016 ontvang ik een mail van Levi van Dam. Hij schrijft: „In mijn werk als wetenschappelijk onderzoeker en orthopedagoog, hebben collega’s en ik een aanpak ontwikkeld die je wellicht interesseert. We vragen jongeren die uit huis geplaatst dreigen te worden, een oom, tante of, buur te benaderen met het verzoek om hun ‘JIM’ te worden: Jouw Ingebrachte Mentor. Deze JIM is een vertrouwenspersoon uit hun eigen omgeving. De aanpak werkt zeer goed.”

Hij zegt dat hij mij benadert omdat ik zowel in mijn boeken als mijn columns schrijf „over psychisch welzijn en psychisch leed van ons mensen”. Inderdaad heb ik bijvoorbeeld voor NRC twee reportages geschreven over het leven in een psychiatrische inrichting en het reilen en zeilen op een crisisdienst.

Ik antwoord dus dat ik geïnteresseerd ben, maar dat ik het proces graag in praktijk wil meemaken. Zou ik niet kunnen meelopen met een jongere en zijn of haar JIM? Dat blijkt niet zo makkelijk; jongeren vinden het eng dat een volwassene „meeloopt” in hun leven, zeker „probleemjongeren”. Het meisje met wie ik eerst zou meelopen zegt op het laatste moment af, werk, taakstraf, therapeutische sessies en een schrijver, dat is haar allemaal toch iets te veel.

Maar het veertienjarige meisje Layla blijkt bereid mij een week in haar leven toe te laten.

Layla: „Ik kon mijn woede niet beheersen.” Foto Olivier Middendorp

Een bevriende psychiater had eerder dit jaar tegen me gezegd: „Een weekje? Als je ambitieus bent, dan volg je iemand die als jongere de psychiatrie of de politiecel binnenkomt, want daar begint de psychiatrie vaak, en dan blijf je diegene een leven lang volgen. Elke twee of drie jaar schrijf je een update, een beetje à la de Up-documentaires. Dan zal je zien dat diegene nooit meer uit de psychiatrie komt.”

Wie weet is Layla degene die ik de rest van haar leven zal blijven volgen, al heb ik deze verwachting zekerheidshalve niet uitgesproken.

Mijn dagen met haar worden ingeleid in de regentenkamer van het voormalig Burgerweeshuis in Amsterdam, waar Levi een minicollege jeugdzorg voor me zal verzorgen. Hij zei: „Als je onze aanpak wilt begrijpen moet je iets van de jeugdzorg weten.”

„Vóór 1900 was er geen jeugdhulp”, vertelt Levi. „De rijken ontfermden zich over ontspoorde kinderen en wezen. Je moet je voorstellen dat in die tijd wezen werden verhandeld.”
„Slavenhandel?” vraag ik.
„Een soort slavenhandel”, beaamt Levi. „Vanaf 1905 ging de overheid zich meer met dergelijke gevallen bemoeien. Je kreeg zogenaamde kinderpakhuizen, grote weeshuizen. Vanaf 1945, het begin van de verzorgingsstaat, werd de bemoeienis van de overheid steeds intensiever. In 2004 werd het meisje Savanna dood in de kofferbak van haar ouders gevonden. De betrokken gezinsvoogd werd veroordeeld voor dood door schuld, daarna kreeg je een overreactie. Omdat niemand nóg een Savanna wilde, werden steeds meer kinderen uit huis geplaatst, met allerlei negatieve neveneffecten. Een keerpunt was 2013, de vraag naar jeugdzorg bleef toenemen en daar waren geen goede verklaringen voor. Toen is besloten dat vanaf 2015 jeugdzorg niet meer onder de provincie maar onder de gemeente valt.”

„Volgens sommige jeugdpsychiaters is deze overheveling het begin van de dood van de jeugdpsychiatrie”, merk ik op.
Levi zucht. „Je moet af en toe demedicaliseren”, zegt hij. „Er bestaan ook financiële prikkels om een diagnose te stellen.”
„Goed”, zeg ik, „de JIM werkt gratis, maar is het ook zoals dat heet evidence based medicine?”
Weer zucht Levi. „Dat is lastig, daar zijn we mee bezig, mensen hebben baat bij een sociaal netwerk en sommige mensen zonder netwerk hebben er baat bij als je ze helpt zo’n netwerk te creëren.”

Kermis

Die avond zit ik in een buitenwijk van Amsterdam in de keurig opgeruimde woning van Layla’s vader. Hij is taxichauffeur en gescheiden van haar moeder. Ze hebben ook een zoon van 12 en een dochter van 6. De jongste woont bij de moeder, de twee oudsten bij de vader.

Maar Layla is er niet, ondanks eerdere toezeggingen. Er is kermis en dat vindt ze belangrijker, wat ik goed begrijp. De JIM van Layla is er wel, Anneke, een goedlachse vrouw van in de vijftig die ik even aanzie voor Layla’s moeder omdat ze zich door het huis beweegt alsof het van haar is. Tegenover me zitten nog twee hulpverleners van Layla, Bernice en Gert.

Layla’s broertje is kort na mijn komst het huis uitgeglipt. „Net een schuw vogeltje”, zegt Anneke vol vertedering.

Layla heeft een tijd in De Koppeling gezeten, een gesloten instelling voor jongeren voor ze weer bij haar vader kwam wonen. Wat precies de reden is voor opname in die instelling wordt me maar moeizaam duidelijk. Van tevoren had Levi me verteld dat ze een gezinsvoogd in de buik had geschopt en nu krijg ik te horen dat ze vaak wegliep van huis toen ze nog bij haar moeder woonde, dat ze het lastig vond autoriteit te accepteren.

Ik denk aan mijn petekind van 13, die eveneens regelmatig dreigt met weglopen. Ook ik heb als tiener vaak overwogen weg te lopen, maar ik zag op tegen de kou en de regen.

Vader serveert nootjes. „Anneke zat bij mij in de taxi,” zegt hij. „Ze vertelde dat ze allemaal mensen hielp. Toen zei ik: kun je mij niet helpen?”
Er wordt gelachen. „Maar de JIM moet toch door het kind worden gekozen?” vraag ik.

Het blijkt ook anders te kunnen. „En wat doet een JIM precies?” vraag ik aan Anneke. „We doen ook gewoon gekke dingen samen”, zegt Anneke.

We doen ook gewoon gekke dingen samen

Het wordt tijd dat ik Layla zelf spreek, maar die is nog met vriendinnen op de kermis. Die zal ik pas morgen kunnen ontmoeten, als ze is uitgeslapen.
De volgende middag zit ik met Layla en haar vader in een vlaaienwinkel op loopafstand van hun huis. Hij en ik drinken koffie, Layla heeft chocolademelk met slagroom besteld. Ze neemt rustig de tijd om een foto van haar chocolademelk te maken.

Layla draagt een roze trainingspak en een bril met een zwaar montuur. Ze is stevig gebouwd.
„Ik heb een slechte conditie”, zegt ze.
„Rook je?”
„Nee. Maar ik heb een tijd niet getraind. Ik zit op kickboksen.”
„Om je agressie kwijt te raken?”
„Ja duh.”

Er valt een stilte die ik doorbreek met een voor de hand liggende vraag naar haar toekomstplannen. In bijzijn van haar vader lijkt elk onderwerp precair.
„Ik wil pedagogisch medewerker worden”, zegt ze. „Om aan te tonen dat het ook op een andere manier kan dan zij het hebben gedaan.” Zij, dat zijn al die hulpverleners, pedagogisch medewerkers en psychologen die Layla al in haar leven heeft gezien. Toch komt het antwoord er erg snel uit. Alsof het wel vaker is gegeven, alsof het bedoeld is om van de vraag af te zijn. Ook verdenk ik haar van sociaal wenselijke antwoorden.
„Hoe anders?”
„We hebben zoveel hulpverleners gezien”, zegt de vader. Hij schiet zijn dochter te hulp, ook hij lijkt gemengde gevoelens over hulpverleners te hebben. „We hebben alleen al van de jeugdbescherming vier verschillende personen gehad.”
„Hoe was het in De Koppeling?” vraag ik, want die gesloten instelling fascineert me.
„Dat was niet leuk. Ik wil het daar eigenlijk niet over hebben.”
„Je zat daar omdat je agressief was?” vraag ik.
„Nee”, zegt Layla, „ik zat daar omdat ik was weggelopen. Ik was koppig en eigenwijs. De politie heeft me gevonden. Ik kon mijn woede niet beheersen. Het boeide me niet wat ze van me vonden.”
„Met boosheid bereik je niets”, zegt vader. Hij roert in zijn koffie.
„Heb je wel eens mensen pijn gedaan?” vraag ik.
„Nooit”, zegt Layla. Alsof ik haar geen raardere vraag had kunnen stellen.

De vader gaat weg en Layla en ik lopen door het winkelcentrum. Ze neemt me mee naar Douglas, waar ze me een parfum van Valentino laat ruiken dat ze graag wil hebben. „Ik vraag altijd”, zegt ze, „wat is het lekkerste parfum dat jullie hebben? En dan ga ik bij mijn vader zeuren.”
Als tiener was ik ook geobsedeerd door parfum. Ik dacht, als ik lekker ruik zullen de mensen van me houden.

Ik complimenteer Layla met haar nagels. „Normaal zijn ze roze”, zegt ze. „Maar nu zijn ze zwart vanwege een jurkje dat ik deze week droeg. Ik laat ze op het Osdorpplein doen.”
„En wat doe je zoal met vriendinnen?” informeer ik terwijl we door het winkelcentrum blijven zwerven. Layla had al gezegd: „Meer is hier niet te zien.” Maar ze maakt geen aanstalten ergens anders heen te gaan.
„Eten”, zegt ze. „Er is een lasagnarestaurannetje. Daar ga ik weleens met mijn vader heen. Daar hebben ze de lekkerste lasagna van de stad. Mijn broertje vindt het niet zo bijzonder. Die begrijpt dat niet.”
Plotseling zegt ze: „Dit was het. Ik ga naar huis.”
„Heb je morgen tijd voor me?” vraag ik nog snel.
„Nee”, zegt ze, „Dan moet ik voor een toets leren.”

Meestal heb ik vrij snel en gemakkelijk contact met de mensen over wie ik schrijf. Of het nu psychiaters, patiënten, soldaten, kamermeisjes, slachters of leden van een religieuze sekte zijn. De methode is eenvoudig: niet oordelen, oprecht nieuwsgierig zijn en de grenzen van de ander, ook de onuitgesproken grenzen, zoveel mogelijk respecteren. In het geval van Layla lijkt alleen al mijn aanwezigheid voor haar grensoverschrijdend.

Dit was het. Ik ga naar huis

Kameleon

Omdat ik vrees dat ik uitsluitend via Layla misschien geen goed beeld zal krijgen van wat een JIM doet heb ik contact gelegd met Kamran, een jongen van 20. Hij is ook JIM. Op een zondagochtend ontvangt hij me bij hem thuis in de Bijlmer. In het trappenhuis staat een bankstel. In zijn kamer zitten we tegenover een koelkast.
„Een JIM doet wat een vriend zou doen”, zegt Kamran, „gewoon chillen. Ik ben realistisch, dat helpt. Ik zeg, je moet naar school, anders kom je nergens. Niemand vindt het leuk om naar school te gaan. Ik ga ook niet naar school maar ik heb mijn redenen.”
„Wat zijn je redenen?”
„Ik voelde me in alles beperkt. Ik ben creatief. Ik heb mijn eigen kledinglijn. Hier op deze sweatshirt staat de dood. De dood wordt als een slecht iemand gezien, maar hij doet gewoon zijn werk. Net als de beul. De dood is aangesteld om mensen van het ene leven naar het volgende te begeleiden. Daarom hebben we hem getekend met een clownsneus.”
Ik complimenteer hem met zijn kledinglijn.
„Mijn naam betekent doorzetter in het Urdu”, zegt Kamran. „Mijn vader stierf toen ik zeven was. Mijn advies aan hulpverleners is: pas je aan. Je bent een kameleon.”
Een kameleon voel ik me al mijn hele leven, misschien ben ik stiekem ook een hulpverlener.
Ik vraag Kamran naar zijn tatoeages. „Deze vrouw, dat is mijn depressie. Ik was een tijd depressief, ik zie de depressie als een vrouw.”
„Dat is mooi”, antwoord ik. „Dan kun je zeggen: ik woon met mijn depressie samen.”
Hij laat me uit. Een JIM lijkt me iemand die een jongere begeleidt die nog net iets meer hulp nodig heeft dan hijzelf. Maar misschien is dat wel de essentie van de meeste vriendschap en liefde.

Via WhatsApp vraag ik Layla waar we elkaar kunnen ontmoeten. Ik moet aandringen, anders ontglipt ze me. Ze antwoordt: „Het kan als ik in de avond ga rennen als u sportkleding heeft.”
Ik scharrel sportkleding bij elkaar; je bent kameleon of je bent het niet.
Eerst lopen we weer door het winkelcentrum. „Hoe ging de toets?” vraag ik.
„Ging goed. Engels. Zal wel een negen worden. Mijn vader heeft toch dat parfum gekocht. Ik heb gestofzuigd en de kamer opgeruimd. Ik heb ’m op. Ze hebben het wel geroken op school denk ik.”
Zelf ruik ik niets. Dan gaan we rennen, langs een sloot. „Daar is een kratje in het water”, zegt Layla. „Daar ben ik bang voor. Maar vandaag zie ik het niet.”
Waarom iemand bang zou zijn voor een kratje begrijp ik niet goed, maar de fantasie van kinderen en halve volwassenen is groot. Wie weet wat zij allemaal in dat kratje ziet. Toch durf ik niet te vragen: „Waarom ben je bang voor dat kratje?”
Dat ik samen met haar mag rennen lijkt al een grote gunst.

Na twee minuten verklaart ze: „Nu gaan we lopen.” Ze kijkt op haar telefoon „Ik heb deze maand twee uur en bijna twintig minuten gerend.”
Ik kan me niet goed voorstellen dat dit meisje ongeveer een jaar in een inrichting heeft gezeten. Het lijkt alsof haar problemen zijn uitgegumd, maar het lijkt ook alsof ze daarbij zichzelf heeft uitgegumd.
Na het rennen wacht vader in zijn taxi op Layla. Hij lijkt haar nooit lang uit het oog te verliezen.
Haar vader rijdt me terug naar het centrum. Hij praat makkelijker over zichzelf dan over zijn dochter. Hij vertelt: „Ik ben eens beroofd in Alphen a/d Rijn. Drie mannen. Toen we daar waren hebben ze alles van me afgepakt. Telefoon, auto, portemonnee. Vanaf die tijd rijd ik niet meer ’s nachts.”
Daarna informeert hij wat er voor nodig is om een boek te schrijven.

De woning van de moeder van Layla. Haar jongste zusje speelt met een poppenhuis dat ze net heeft gekregen. Layla zelf loopt trots en ietwat uitdagend rond in een witte, pluizige jas van haar moeder.
De moeder zit gehurkt aan de andere kant van de lage koffietafel. Ze draagt een grijze jurk en een zwarte hoofddoek. De tv staat aan, Nickelodeon. Layla gaat naast me op de bank zitten.
„We hadden een geschiedenistoets”, zegt Layla. „Het ging over de negentiende eeuw. O nee, zeventiende eeuw. Zo een onzin. De oerknal, dat vind ik zo ongeloofwaardig. Dat twee stenen op elkaar zijn gebotst en dat daar dan leven uitkwam. Dat geloof ik gewoon niet. Gelooft u in de oerknal?”
„Ik ben niet religieus”, zegt de kameleon voorzichtig.

„Sinds ze bij haar vader is zie ik haar weinig. Ze heeft haar eigen leven”, vertelt de moeder. „Ik ben secretaresse, maar ik wil iets anders gaan doen, richting hulpverlener. Het kan beter. Ze doen hun werk goed hoor maar wat ze vergeten is dat elk kind andere behoeftes heeft. Oktober 2016 begon het. Het jeugdzorgdossier was afgesloten. Toen liep Layla weg, kwam Jeugdzorg weer terug. Samen met de zorgverlening hebben we haar toen in De Koppeling gezet. Ik ben heel consequent. Niet aan de regels houden is meteen weer terug naar De Koppeling. Ze kwam thuis, ze hield zich niet aan de regels. Kijk, dat gat in de deur is nog een overblijfsel van Layla.”
„Heeft ze geslagen?” informeer ik.
Layla: „Nee, ik heb met een plastic teddybeer gegooid.”
We zwijgen, dan zegt Layla: „Ik hou niet van de stilte.”
In de gang vraag ik aan de moeder: „De JIM van Layla, zie je die weleens?”
„Nooit”, zegt de moeder, „ik heb wel contact met de hulpverleners.”

Ontglippen

Een donderdagochtend op een middelbare school in Amsterdam-Oost. Ik mag een les Nederlands bijwonen in de klas van Layla. Ze zit in 2-mavo.
De meester loopt in een spijkerjack rond. „Kennen jullie iemand die gehandicapt is?” vraagt hij. Dan wordt er een filmpje getoond. Het gaat over de Paralympics. Na het filmpje moet de klas discussiëren over de stelling of de coaches van gehandicapte sporters zelf ook gehandicapt moeten zijn.
Layla zegt: „Hoe kun je iemand leren skiën op één been als je zelf twee benen hebt?”
Een jongen roept: „Vrouwen kunnen ook door mannen getraind worden.”
De meester wil weten of een vrouw hetzelfde is als een gehandicapte. Tegen een meisje dat niet zo duidelijk praat zegt hij: „Ik hoor je niet, ik zie alleen die tanden van je.”

Layla zit erbij alsof het haar eigenlijk niet aangaat, maar ik heb de indruk dat iedereen hier er zo bij zit, inclusief de leraar.
Op een gegeven moment, zonder dat er voor mij duidelijk aanleiding toe is, fluistert hij: „Ik bid nu heel erg om niet boos te worden, horen jullie me bidden?”
Dit lijkt me een goed moment om weg te glippen.

Het is vrijdagmiddag. Mijn laatste dag met Layla alweer. Anneke en zij gaan iets leuks doen, een vriendin van Layla gaat mee. Misschien kom ik nu iets te weten over de band tussen Anneke en Layla die toch zou moeten hebben bijgedragen aan haar herstel.
We gaan winkelen, maar Layla verklaart: „Ik hou er niet van om te winkelen zonder iets te kopen.”
„Je moet het leren”, zegt Anneke.

Omdat winkelen zonder iets te kopen echt niet leuk is, stel ik voor dat we taartjes gaan eten. Ik krijg de indruk dat Layla in het verborgene leeft, dat ze leeft als ik er niet ben, als haar vader er niet is.
„Wat wil jij later doen?” vraag ik aan Layla’s vriendin. „Werken met gedetineerden”, stelt ze gedecideerd.
De vader komt voorrijden in zijn taxi. De kinderen gaan naar de kermis. „Wat vinden jullie het leukste daar?” vraag ik nog snel.
„Botsautootjes”, antwoordt Layla en met dat woord verdwijnt ze uit mijn leven.

Ik krijg de indruk dat ze in het verborgene leeft, dat ze leeft als ik er niet ben

Misschien heeft Levi gelijk, misschien draagt het concept JIM bij aan het doorbreken van de vicieuze cirkel: eens hulpverlening altijd hulpverlening. Maar ik heb toch het idee dat Layla me ontglipt en dat je zo ook aan de hulpverlening kunt ontglippen. Of is dat waar het doorbreken van de vicieuze cirkel van eens hulpverlening altijd hulpverlening op neerkomt? Ontglippen aan je hulpverleners, aan iedereen ontglippen.

„Weet je wat een leuke plek is om uit te gaan voor mensen van onze leeftijd?” vertelt Layla’s vader als de kinderen weg zijn. „Amstelveen.”
„Daar kom ik nooit”, verklaart Anneke.
We gaan met zijn drieën Marokkaans eten. De vader bestelt linzensoep, Anneke lever. „Dat heb ik nu even nodig”, zegt ze.
Anneke en Layla’s vader spreken over het opvoeden van kinderen. Ze lijken goede vrienden te zijn, op zijn minst lotgenoten.
Ik voel genegenheid voor de vader, een soort van herkenning. Ook de taxichauffeur is een kameleon.
„Als ik weer terug in de stad ben”, zeg ik, „gaan we met z’n drieën uit in Amstelveen.”

    • Arnon Grunberg