Recensie

Moeten we God een gehoorapparaat aanmeten?

Kinderboek Ciel, die een halfbroertje of -zusje krijgt, is een heerlijk kinderboekpersonage. Maar de stem van de volwassen auteur klinkt te vaak door in het taalgebruik van Gerda De Preter.

Gerda De Preter: wie kent die naam nog? Haar laatste boek dateert alweer uit 2010. Daarna verdween de Vlaamse kinderboekenschrijfster uit zicht. Tot nu. Kan ze zich met Toen Alfie verdween weer in the picture te schrijven?

Aan de fraaie cover van Sylvia Weve zal het niet liggen. De origami kraanvogel van postpapier met daarop het woord ‘afgewezen’, nodigt absoluut uit tot het lezen van dit kleine verhaal dat wordt verteld vanuit het perspectief van de ongeveer achtjarige Ciel die met het leven worstelt.

Directe oorzaak van dat geworstel is de komst van een halfbroertje of -zusje. Haar moeder heeft haar vader ‘ingeruild’. En Ciel is daar boos over. Het is erg als je ouders gaan scheiden, maar nog erger als ze met iemand anders samengaan. ‘Je krijgt er opeens een hele familie bij’, aldus Ciel, die een nieuwe oma nog wel kan dulden, maar een nieuwe baby ‘echt niet moet’. Gelukkig houdt haar vriendschap met Alfie haar staande, een vluchtelingenkind dat net zo fantasierijk is als zij. Wanneer haar schoolvriendje echter plotseling verdwijnt, haar moeder naar het ziekenhuis moet en ze bij nieuwe oma wordt gedumpt, knapt er iets bij Ciel.

Gapen als een oester

Ciel is een heerlijk meisje: zo’n tegendraads type met een heel eigen stem. In heldere, suggestieve zinnetjes vertelt ze, tongue-in-cheek, over de ‘mooiste woordenlijst’ die ze met Alfie maakt en hun verschillende visies op Gods bestaan. Dat levert geestige dialogen op. Zo denkt Ciel dat God vast doof is, want ‘Hij zegt niks terug’ als ze Hem vraagt de nieuwe baby te laten verdwijnen. Maar God een gehoorapparaat aanmeten? Dat kan niet, vermoedt Alfie. ‘Het is erg moeilijk iets te verzinnen voor iemand die onzichtbaar is.’

Ook Ciels nieuwe oma is een levensechte figuur, ondanks dat Ciel haar ‘even nep’ vindt als haar bontjas waarin ze bovendien ‘een cavia op laarzen’ lijkt. Pas als blijkt dat ze net zo allenig is als Ciel, ontdooit het meisje enigszins.

Ondanks de boeiende personages en evenwichtige afwisseling van grappige en droevige scènes, overtuigt De Preter onvoldoende. In het woordgebruik en de beeldspraak klinkt net te vaak de stem van de volwassen auteur door. Een kind zegt niet dat het ‘gaapt als een oester’. En ook een zin zoals die waarin Ciel de fatale ruzie tussen haar ouders beschrijft - ‘er waren harde woorden gevallen en niemand had ze opgeraapt’ – klinkt te bedacht. Daarnaast is Ciels denkbeeldige vriendje Elia, dat De Preter halverwege opvoert, overbodig. De boosaardige acties waartoe hij haar aanzet, waren zonder hem zeker zo geloofwaardig geweest: Ciels verlatingsangst is tussen de regels door juist prachtig (in)voelbaar.

Vluchtelingenlot

Gelukkig maakt het ontroerende einde veel goed. De Preter komt daarin knap terug op de duizend kraanvogels die Alfie vouwde om een wens te kunnen doen, en onthult terloops zijn schrijnende vluchtelingenlot.

Aan talent ontbreekt het De Preter niet. Maar met alleen talent heb je nog geen goed boek. Daar zijn ook schrijfuren voor nodig. En met acht jaar tussen de laatste en nieuwste titel verzamel je er onvoldoende. Meer oefenen: dat baart kunst.

    • Mirjam Noorduijn