Assmaa Kammite

Frank Ruiter

Linda verkoopt meer hypotheken dan Ouafa

Discriminatie

Werknemers met een buitenlands klinkende naam krijgen bij callcenters vaak het advies een andere naam te gebruiken. Zes interviews over deze en andere praktijken.

    Een callcentermedewerker heet niet Fatima, maar Linda. Niet Mohamed, maar Boudewijn. Niet omdat er in de telemarketing geen mensen werken met zulke namen, maar omdat ze die veranderen in een typisch Nederlandse naam. Want dat verkoopt beter. Klanten sluiten eerder een energiecontract of telefoonabonnement af bij een telefonische verkoper met een Nederlandse naam. Het is, zo vertellen mensen die het werk hebben gedaan, in deze branche gebruikelijker om wél je naam te veranderen dan om het niet te doen.

    Ivo van Dam, eigenaar van callcenter Quality Calls, beaamt dat. Hij werkt al twintig jaar in de sector en het is volgens hem nooit anders geweest. „Artiestennamen”, noemt hij het. Want een Nederlandse naam wekt volgens hem meer vertrouwen dan een „buitenlands klinkende naam”. „Helaas zit het zo nog steeds in elkaar in dit land.” Het hóéft niet, bij Quality Calls, benadrukt hij: het is een eigen keuze.

    Maar dat is het niet altijd. Sommige van de geïnterviewden voor dit artikel werd het opgedragen door een leidinggevende. Eerder dit jaar schreef Lamyae Aharouay in een column in NRC hoe zij, toen ze in een van haar vroegere callcenterbaantjes uitvaartverzekeringen verkocht, haar naam op verzoek van haar baas veranderde in Linda de Vries.

    Lees ook de column van Lamyae Aharouay: Ik weet nog goed dat ik Linda de Vries heette

    Aharouay deed het zonder morren, net als al haar andere collega’s. Ze was een jaar of achttien – veel callcentermedewerkers doen dit werk naast school of studie. Het verdient goed en er is altijd werk in te vinden. Achteraf, zegt Aharouay, beseft ze dat het elke keer opnieuw voelde als zelfverraad. Je doet het, zeggen ook de anderen, omdat je jong bent en minder nadenkt over hoe raar het eigenlijk is dat je niet als jezelf kunt werken. Omdat je gevoelig bent voor wat een teamleider vriendelijk suggereert, en omdat je gewoon de targets wilt halen. Lukt dat beter met een Nederlandse naam, nou ja, dan moet dat maar zo.

    Aharouay schrijft in haar column: „Je kunt heel hard je best doen, je diploma’s halen, je cv volproppen met extra-curriculaire activiteiten, maar het land waar je wieg stond, of dat van je ouders, of een exotische naam, kan nog altijd zwaarder wegen.”

    Twee jaar extra werkervaring

    Het veranderen van hun naam tijdens callcenterwerk is maar één voorbeeld van waar mensen met een migratie-achtergrond op de arbeidsmarkt mee geconfronteerd worden. Ook bij het solliciteren zit die naam, zeker als die Arabisch is, in de weg. Zo blijkt uit een SCP-onderzoek (Op afkomst afgewezen, 2015) in de regio Haaglanden dat autochtone kandidaten bijna twee keer zoveel kans hebben om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek als Marokkaans-Nederlandse kandidaten met exact dezelfde kwalificaties. Pas als aan de cv’s van die laatste groep twee jaar extra werkervaring en relevante cursussen werd toegevoegd, en een passage over inzet en motivatie, waren de kansen gelijk.

    Een extreem voorbeeld van arbeidsmarktdiscriminatie, was de jongen die in 2013 solliciteerde op een stageplaats bij een Arnhems elektronicabedrijf. Per ongeluk ontving hij een interne mail, waarin stond: „Ik heb nog even gekeken, is niks. Ten eerste een donker gekleurde (neger). En op zijn cv weinig tot geen ervaring met computers.” De jongen, een Surinaamse Nederlander, deed aangifte en kreeg gelijk van de rechter: die veroordeelde de auteur van de mail tot een taakstraf van veertig uur en een schadevergoeding van 981 euro. Zulke veroordelingen zijn zeldzaam, omdat discriminatie op de werkvloer vaak lastig te bewijzen is.

    Het land waar je wieg stond, of dat van je ouders, of een exotische naam, kan nog altijd zwaarder wegen

    Lamyae Aharouay

    Zoals Aharouay schreef in haar column: het is makkelijk om daar verontwaardigd over te zijn, maar een stuk moeilijker om een oplossing te vinden. Het categoriseren van mensen in groepen, staat in eerdergenoemd SCP-rapport, is een basaal psychologisch proces. Om daar tegenin te gaan, is een groot bewustzijn nodig van de eigen manier van selecteren. Er bestaan trainingen, bijvoorbeeld gegeven door het College voor de Rechten van de Mens, die hr-personeel en managers inzicht geven in de eigen – vaak onbewuste – vooroordelen.

    De oplossing van de gemeente Den Haag is anoniem solliciteren. Vanwege de uitkomsten van het SCP-onderzoek, startte de gemeente in 2016 een experiment. Naam, geboorteplaats, foto en emailadres werden verwijderd uit de sollicitaties. Resultaat: het aantal biculturele sollicitanten dat werd uitgenodigd voor een gesprek, steeg van 12,9 procent (in 2015) naar 23,5 procent. Zeker mensen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse afkomst maakten meer kans op een uitnodiging, al was die nog altijd lager dan bij autochtone Nederlanders. Ook werden er meer mensen met een biculturele achtergrond aangenomen: 14 van de 39 (een jaar eerder was dat nog 4 van de 35). Om die reden wordt het experiment voortgezet, sollicitaties op functies in „het midden- en bovenste segment” zijn bij de gemeente Den Haag nog altijd anoniem, zegt een woordvoerder.

    Uitzendbureaus

    Staatssecretaris Tamara van Ark (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, VVD) werkt momenteel aan een vernieuwing van het ‘Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie’, met daarin ook „aandacht voor discriminatie in sollicitatieprocedures”, aldus een woordvoerder van de staatssecretaris. De maatregelen worden nog voor de zomer bekendgemaakt. Ook is Van Ark intussen „in gesprek geweest” met de uitzendbranche, nadat eind januari uit onderzoek van televisieprogramma Radar bleek dat veel uitzendbureaus bereid zijn om te discrimineren op afkomst. Radar-redacteuren deden zich voor als medewerkers van een bedrijf dat tijdelijke callcentermedewerkers zocht. Van de 78 gebelde uitzendbureaus reageerde 47 procent welwillend op het verzoek om bij de selectie rekening te houden met eerdere vervelende ervaringen met Marokkanen, Surinamers of Turken. De branche heeft in het gesprek met de staatssecretaris toegezegd zich in te zetten voor de bestrijding van discriminatie. Een brief over de maatregelen die uitzendbureaus kunnen nemen, stuurt Van Ark „op korte termijn” naar de Tweede Kamer.

    Lees ook: Uitzendbureaus werken op grote schaal mee aan discriminatie, toonde het programma Radar aan. Wat is er precies aan de hand?

    Diversiteitsbeleid, zeker in de gedaante van een quotum, roept vaak dubbele gevoelens op. Vrouwen willen geen excuustruus zijn, mensen met een migrantenachtergrond geen excuusallochtoon. Zo erkende Ramon Arnhem, tot voor kort waarnemend directeur van het programma ‘Politie van iedereen’, vorige week in een interview met de Volkskrant dat het diversiteitsbeleid bij de Nationale Politie intern steeds minder goed ontvangen wordt. Witte vijftigplussers denken dat ze daardoor niet meer in aanmerking komen voor een promotie, en werknemers met een multiculturele achtergrond krijgen cynische opmerkingen als hen dat wel lukt.

    Toch pleiten de meeste voor dit artikel geportretteerde mensen voor zulke maatregelen. Er moet een „push” komen om die twee werelden bij elkaar te brengen, zegt Assmaa Kammite. „Want zolang het geen gemeenschappelijk probleem is, van zowel de gediscrimineerde groepen als van het establishment, kun je je ervan distantiëren.” En Emina Cerimovic: „Als er eenmaal genoeg mensen met een diverse achtergrond in een organisatie werken, lost deze hardnekkige discriminatie zich vanzelf op.” Tijd om te wachten is er niet, zegt ze. „Moet mijn generatie dan gefrustreerd achterblijven?”

      Zes interviews

    1. Emina Cerimovic (30): ‘Ik noemde mezelf Nina’

      Werkt als wetenschappelijk medewerker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Geboren in voormalig Joegoslavië, woont sinds haar achtste in Nederland.

      Emina Cerimovic. Frank Ruiter

      „Tot mijn achttiende leefde ik in een multiculturele bubbel in Overvecht, een achterstandswijk in Utrecht. Mijn eerste bijbaan daarbuiten was callcenterwerk bij een pensioenplatform. Ik noemde mezelf Nina, dat was ook mijn roepnaam in mijn jeugd, maar hield mijn eigen achternaam. Het viel me op dat vooral jongens met een Marokkaanse achtergrond hun hele naam veranderden en een extreem ‘wit’ accent opzetten. Er heerste een bewustzijn dat je naam witwassen het werk makkelijker maakte. Je wilt gewoon je targets halen. Als Jacqueline meer klanten binnenhaalt dan Fatima, dan noem je jezelf Jacqueline.

      „Mijn voornaam is islamitisch, mijn achternaam Oost-Europees. Verder dan mezelf Nina noemen, ging ik niet. Maar ik gebruikte deze naam ook op mijn cv om werkgevers te laten denken dat ik misschien een ‘halfbloedje’ was. Later, toen ik bij de WRR solliciteerde, vond ik dat ongemakkelijk worden. Ik veranderde mijn naam terug maar voegde wel een foto toe aan mijn cv, omdat ik er Nederlands uitzie. Ik wilde voorkomen dat mijn naam zou afschrikken.

      „Een keerpunt in mijn leven was een bijbaan bij een benzinepomp. Ik kreeg de instructie mensen met een kleurtje niet de sleutel van het toilet te geven omdat zij het altijd vies maakten. En om Somalische mannen extra goed in de gaten te houden omdat zij vaker zouden wegrijden zonder te betalen. Ik werd gezien als een witte collega, tegen wie je zulke dingen wel kunt zeggen.

      Voormalig Joegoslaven zijn het best geïntegreerd van alle migrantengroepen. Er is bij mij daardoor een gevoel van verantwoordelijkheid ontstaan, schuldgevoel ook. Ik weet bijvoorbeeld zeker dat ik zover gekomen ben doordat leraren mij stimuleerden en veel vertrouwen in me hadden. Het is pijnlijk om te zien dat andere groepen dat vertrouwen niet krijgen.”

    2. Fatima Mbarki (42): ‘Ik was Wendy Jansen’

      Werkt bij een stedelijke welzijnsorganisatie als buurtcoach en aandachtsfunctionaris radicalisering. Geboren in Marokko, opgegroeid in Rotterdam.

      „Ik was Wendy Jansen toen ik telefonisch hypotheken verkocht. Een leidinggevende gaf me die naam, omdat mensen raar zouden reageren als er een Fatima zou bellen over zo’n groot product. Ik was jong en deed gewoon mee. Maar op een gegeven moment begon het bij mij en een paar collega’s te knagen. Toen we erachter kwamen dat weigeren geen optie was, zijn we er vertrokken. Ik heet Fatima, en ik ben het waard om gewoon mijn naam te zeggen. Mensen moeten er maar aan wennen dat de samenleving verandert. Als Fatima’s geen hypotheken mogen verkopen, geen advies mogen geven over een aankoop, dan houd je alle beelden over mensen met deze naam in stand.

      „Zo was ik eens een van de twee overgebleven kandidaten voor de functie van projectleider bij de gemeente Den Haag. Ze konden niet kiezen, daarom moesten we de collega’s ontmoeten zodat die konden mee beslissen. Het ging om werk in een witte wijk. Hun eerste vraag was: ‘Kun jij je achtergrond achter je laten als je hier binnenkomt?’ Ik besloot geen punt te maken van die vraag en normaal te antwoorden. Maar de volgende vraag was: ‘Doe jij mee met de vrijdagmiddagborrel?’ Op dat moment besloot ik de baan te weigeren. Ik had geen zin te investeren in collega’s die mij niet accepteerden, in een organisatie die niet klaar was voor diversiteit.

      „We weten uit allerlei onderzoeken al zo lang dat er wordt gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Ik vind dat dat net zo hard moet worden aangepakt als ander gedrag dat in strijd is met de grondwet. Ik merk wat het doet met de jongeren in onze wijken. Die gaan met de hakken in het zand, keren hun rug naar de samenleving. Zo maken we de polarisatie alleen maar groter.

      „Het helpt niet als onze premier zegt dat je je maar moet invechten, uit je slachtofferrol moet stappen. De overheid zou juist een voorbeeldrol moeten pakken, laten zien dat ze het serieus neemt. Alleen al discriminatie écht veroordelen, zou een hart onder de riem zijn van mensen die dit heel vaak ervaren.”

    3. Boubker Chanhih (27): ‘Ik heb mijn naam nooit veranderd’

      Is aan het afstuderen als sociaal pedagogisch hulpverlener, en doet een vervolgopleiding voor orthopedagoog aan de UvA. Werkt als persoonlijk begeleider van mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. Zijn ouders emigreerden als twintigers van Marokko naar Nederland.

      Boubker Chanhih. Frank Ruiter

      „Ik heb mijn naam nooit veranderd tijdens mijn werk. Ik heb wel geluk dat Boubker geen vaak voorkomende Marokkaanse naam is, en ik heb geen Marokkaans accent.

      „Als me gevraagd was mijn naam te veranderen, zou ik daar erg mee zitten. Waarschijnlijk zou ik uiteindelijk ontslag hebben genomen. Ik ben Boubker, en dat moet iedereen maar accepteren. Ik ga mezelf niet verbergen.

      „Discriminatie is real. Mensen met een migrantenachtergrond moeten harder werken, daarvan ben ik overtuigd. Maar mijn schoonvader heeft me een keer gezegd: als een werkgever je niet aanneemt vanwege je achtergrond, dan heeft híj verloren. Die gedachte neem ik mee.

      „Zelf word ik eerder positief gediscrimineerd. In de zorg wordt echt gezocht naar jongens zoals ik. Ik krijg sneller het vertrouwen van onze allochtone cliënten. Ik noem ze habibi, schatje, en heb niet veel woorden nodig om ze te begrijpen.

      „Vrienden met een migrantenachtergrond hebben wel moeite met werk vinden. Maar dat ligt soms ook aan laksheid. Met alleen zeggen dat een baan je leuk lijkt en dan afwachten tot je ’m krijgt, kom je er niet. Je moet niet te snel de schuld geven aan discriminatie. Ik ben zelf heel serieus, schrijf in sollicitatiebrieven over mijn motivatie, bereid me goed voor op een sollicitatiegesprek, denk na over de kleren die ik aandoe, over hoe ik wil overkomen. Ik ga weleens naar een koffiehuis. Als ik daar Marokkaanse jongens hoor klagen, zoals ze daar zitten met hun petje, hun Air Maxschoenen en hun trainingsbroek, dan denk ik: trek je dat ook aan naar je sollicitatiegesprek?

      „Op mijn werk worden er wel grapjes gemaakt over mijn achtergrond. Als een collega zijn portemonnee kwijt is, vraagt hij of ik ’m wil teruggeven. Ik vind dat wel humoristisch. Er zijn genoeg collega’s die dat niet leuk vinden, maar ik beschouw mijn achtergrond niet als iets fragiels. Ik sta sterk in mijn schoenen, dan kun je ook meer verdragen.”

    4. Sarah (25): ‘We hadden drie Linda de Vriezen’

      Werkt bij een overheidsinstelling. Wil vanwege haar werk niet met haar achternaam in de krant. Studeerde communicatiemanagement aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Haar ouders emigreerden als tieners van Marokko naar Nederland.

      „Ik voelde aan alles dat het beter was om mezelf Sarah van der Heiden te noemen tijdens salesgesprekken. In de vier jaar dat ik in de telemarketing werkte, verkocht ik onder meer staatsloten en telefoonabonnementen. Als je een Nederlandse naam gebruikte, zo was het idee, haalde je betere resultaten. Echt iedereen deed het. Ik deed het ook wel uit gemak, ik moet altijd mijn achternaam herhalen en spellen.

      „Toen ik bij de Staatsloterij werkte, hing er een bord waarop de targets stonden, met alle namen erop. We hadden drie Linda de Vriezen. De jongens met niet-westerse namen heetten altijd Thomas of Boudewijn. Er werden grapjes over gemaakt. ‘Hé Linda, jij gaat lekker!’ of ‘Kom op Boudewijn, je moet nog effe.’ Ook nu ik erop terugkijk, vind ik het niet zo raar dat we voor andere namen kozen. Ook al is het natuurlijk pijnlijk en jammer dat we dachten dat we met een Nederlandse naam betrouwbaarder werden gevonden.

      „Ik stuur altijd een foto van mezelf mee als ik ergens solliciteer. Ik heb geen zin om afgewezen te worden omdat ze pas later merken dat ik een hoofddoek draag, dat heb ik één keer meegemaakt bij een uitzendbureau.

      „Het klinkt gek, maar ik heb het idee dat mijn achtergrond bij sollicitaties juist vaak in mijn voordeel werkt. Ik word bijna verdacht vaak uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken, haha. Maar daar draagt mijn cv natuurlijk ook aan bij. Ik hoor vaak dat sollicitanten met een migrantenachtergrond denken dat ze een baan om die reden niet hebben gekregen. Natuurlijk gebeurt dat, maar ik denk ook dat het groter gemaakt wordt dan het is. Misschien word je wel niet aangenomen omdat je dóór die onzekerheid over je achtergrond een minder sterke houding of presentatie hebt. Of omdat je gewoon ervaring mist.

      „Ik werk bij een bekende overheidsorganisatie, mijn zusje bij een grote nieuwsorganisatie. Als wij dat vertellen, zeggen mensen vaak: ‘Wow, mag je daar werken met een hoofddoek?’ Blijkbaar proberen zij het om die reden niet eens.”

    5. Ouafa (28): ‘Ik noemde mezelf Chantal’

      Werkt als beleidsmedewerker bij een overheidsinstantie. Wil vanwege haar werk niet met haar achternaam in de krant. Studeerde bestuurskunde. Haar ouders emigreerden als tieners van Marokko naar Nederland.

      „Tijdens mijn studie werkte ik bij een callcenter, ik belde veel voor KPN. Veel van mijn collega’s waren jong, de meesten hadden een niet-Nederlandse achtergrond en veranderden hun naam in Paul of Henk. Als ze zich voorstelden als Samir, zeiden sommigen, werd de hoorn er direct opgegooid. Dat had ik nog niet meegemaakt. Maar ik moest wel elke keer mijn naam toelichten. Je belt vaak met oudere mensen uit de provinciale delen van het land, die kénnen gewoon geen Ouafa. Bij veel mensen stopt dan het denkproces al. Daarom veranderde ik mijn naam in Chantal.

      „Er werd niet over gesproken. Hooguit werd er af en toe een lolletje gemaakt. Zo van: ‘Hé Richard, ga effe koffie halen.’ Achteraf vind ik het heel fout. Hoe zot is het dat we onze naam moeten veranderen in een Nederlandse om ergens meer kans op te maken? Net als dat experiment met anoniem solliciteren van de gemeente Den Haag. Daar word ik echt misselijk van. Als je Ouafa heet, moet je met díe naam op je cv kans krijgen op een baan. De gemeente geeft een tegenovergesteld signaal af als ze anoniem solliciteren omarmt: blijkbaar heb je dan een falende personeelsorganisatie.

      „Ik hoor weleens van vrienden dat ze de zoveelste vergeefse sollicitatiebrief hebben geschreven en dat wijten aan discriminatie. Ik ben daar sceptisch over: je weet het nooit zeker. Maar juist omdat het moeilijk aan te tonen is, is de discussie erover ook lastig. In de politiek, en in het maatschappelijk debat, zit iedereen in een ‘pas op of ik schiet-houding’. Daardoor is er niet echt ruimte om het erover te hebben. Je bent algauw een aansteller, of je ‘trekt de racismekaart’ – dat laatste krijg ik ook vaak te horen.

      „Ik heb ooit besloten me niet meer druk te maken over dit soort dingen. Want ik ben gelukkiger als ik niet constant bezig ben met nieuwsberichten over discriminatie. Het scheelt dat ik geen hoofddoek draag. En je moet goed kunnen omgaan met grapjes op je werk, met mensen die niet zo bekend zijn met mensen met een migrantenachtergrond. Ik weet wanneer voor mij een grens is bereikt. En ik ben zelf ook niet op mijn mondje gevallen, dan moet je ook kunnen incasseren.”

    6. Assmaa Kammite (29): ‘Mensen verstaan vaak Esmée’

      Werkt als klinisch psycholoog bij een GGZ-instelling, heeft daarnaast een eigen praktijk. Geboren in Marokko, opgegroeid in Nederland.

      Assmaa Kammite. Frank Ruiter

      „Ik heb mijn naam nooit veranderd tijdens mijn bijbaantjes in de telemarketing. Als ik bel, verstaan mensen vaak Esmée: ze horen wat ze willen horen. Maar om mij heen werkten heel veel Mohameds die Bram heetten en Fatima’s die zich Miep noemden. Het ging niet van: ‘Assmaa, jij heet vanaf nu Marieke’, maar: ‘Joh, sommige collega’s doen dat zo en zo en halen er hogere scores mee.’ Dat is lastig te weerspreken als je jong bent; dit soort banen wordt vaak gedaan door jonge mensen, naast school of studie. Maar ik ben wie ik ben, dat vond ik toen al.

      „Ik snap dat het gebeurt, maar ik vind het ook verwerpelijk. Het veranderen van hun naam geeft jongeren het gevoel dat ze niet goed genoeg zijn. Het voedt een laag zelfbeeld, in een cruciale periode van hun identiteitsontwikkeling.

      „Tegelijk merkte ik destijds zelf, juist omdat ik er heel bewust voor koos om mijn naam níet te veranderen, dat ik moest uitblinken op andere vlakken. Ik sta altijd 3-0 achter bij een werkgever: ik ben vrouw, ik heb een allochtone verschijning en geen westerse naam, en ik ben moslima en draag een hoofddoek. „Ik heb lang gedacht dat ik me moest profileren door te zeggen: ik ben multi-inzetbaar, want ik spreek naast Nederlands en Engels ook Marokkaans-Arabisch en Marokkaans-Berbers. Maar dat heeft wel een terugslag gekregen. Ik werd, in een vorige baan, aangenomen om vooral Marokkaans sprekende cliënten te behandelen in hun eigen taal. Dat was heel dienstbaar en leerzaam, dus ik vond het een tijdlang leuk werk.

      „Totdat ik bij mijn manager aangaf dat ik graag ook Nederlandstalige mensen wilde behandelen. Hij vroeg of ik dacht dat dat zou gaan werken. Zoals mensen met een Marokkaanse achtergrond het fijn vinden om behandeld te worden door iemand als zijzelf, zei hij, geldt dat ook voor autochtonen. Ik vond het heel confronterend dat hij er al bij voorbaat vanuit ging dat een Arie Janssen mij niet als therapeut wil omdat ik Marokkaanse ben en een hoofddoek draag. Zo goed als Marokkaanse cliënten moeten leren omgaan met mensen met een Nederlandse achtergrond, zo geldt het omgekeerde ook. Die discrepantie moeten we nu juist zien te overbruggen. Ik ben om die reden snel daarna vertrokken bij die werkgever.”

    • Anne Dohmen