Kamerplanten lijken het eeuwige leven te hebben

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: het diepe verleden van palmvarens en sprietenplanten.

Foto Getty Images

Hoe hardvochtig kan een mens zijn. Luister naar het relaas van pensionado K. te A. Drie jaar geleden deed hij bijna al zijn kamerplanten weg. Ze stamden nog uit zijn studententijd, uit 1973 om precies te zijn, maar opeens voelde hij dat ze hem in de weg zaten. Dat hun uitstraling niet goed was.

Hij smeet de potten leeg op zijn balkon om de planten later definitief op te ruimen: de Chlorophytum comosum, die eens per twee jaar omviel omdat er teveel nieuwe plantjes aan hingen, de Asparagus aethiopicus die onophoudelijk gele naalden strooide en de Hoya carnosa die bij nader inzien zieltoogde omdat muizen de wortels hadden opgevreten. Naar buiten!

Daar werden ze vergeten en aan hun lot overgelaten. De zon kwam op, de zon ging onder, de zomer verdween en de winter verscheen en pas vorig voorjaar besloot K. de verdroogde overblijfselen af te voeren. Toen bleek dat de planten stuk voor stuk nog in leven waren en dat de Asparagus zelfs nieuwe uitlopers had gevormd.

Op dat moment brak er iets in hem. ’t Was alsof een naar het asiel gebrachte kat opeens weer voor de deur stond. Hij haalde de planten naar binnen, gaf ze nieuwe aarde in nieuwe potten, maakte van de Hoya stekken die voorspoedig wortelden en inmiddels staan ze er weer bij alsof er niets gebeurd is.

Eeuwig

Hebben kamerplanten het eeuwige leven, dat is nu de vraag. Hoe oud zijn de gangbare kamerplanten eigenlijk? De drie genoemde planten, de harde kern van het cohort ‘indestructable houseplants’, waren in 1973 natuurlijk niet uit zaad opgekweekt, maar door de kweker ‘vegetatief vermeerderd’: gestekt, gescheurd, whatever. De hangende plantjes van de Chlorophytum, de sprietenplant, worden misschien al eeuwen doorgegeven. Kun je hier eindeloos mee doorgaan? Dus steeds weer stekken van stekken blijven maken? En is de plant die je na twee eeuwen stekken of scheuren (of bijbollen oogsten) in handen hebt identiek aan de plant waarmee het allemaal begon?

Voor deze vraag blijkt niet veel interesse te zijn. Engelse tuinliefhebbers mijmeren graag over de vraag waar de oudste ‘potted plant’ staat, die blijkt altijd in de palmenkas van Kew Gardens te staan, het is een Encephalartos altensteinii (een ‘palmvaren’) die in 1775 werd verworven, maar dat is een andere vorm van ‘oud’ zijn dan hier wordt bedoeld. De Amsterdamse hortus botanicus heeft óók zo’n Encephalartos, in 1850 overgenomen uit de nalatenschap van koning Willem II, de hemel weet waar die hem opscharrelde. In de botanische tuin van Uppsala staat een laurier die Linnaeus nog zelf in 1753 heeft geplant, roepen de Zweden. Maar die laurier staat buiten, mag je aannemen.

In de palmenkas van de hortus botanicus in Amsterdam hebben héél oude palmen gestaan, zegt Reinout Havinga, hoofd tuin en collectie. „Maar als die van lieverlee tegen het glazen dak groeiden, werden ze gekapt en opnieuw opgekweekt. Voor 1979 werden herkomst en leeftijd hier niet systematisch bijgehouden. Wat hier de oudste kasplant is: ik weet het niet.” Niettemin: gekapt worden en toch doorleven, dat is waar het vandaag om gaat.

Eindeloos

In principe kun je eindeloos met dat stekken en scheuren doorgaan, zegt Richard Visser, hoogleraar plantenveredeling in Wageningen. Maar je moet er rekening mee houden dat de planten door de jaren heen virussen en mutaties gaan ophopen waardoor op den duur kwaliteitsvermindering kan optreden. De groei kan afnemen en de gevoeligheid voor allerlei invloeden van buitenaf kan toenemen. De planten gaan dus geleidelijk wel afwijken van de uitgangsplant. Telers selecteren in de waargenomen verschillen.

Visser heeft thuis nog kamerplanten staan uit zijn studententijd, nu veertig jaar geleden. Gerda van Uffelen, hoofd collectiebeheer van de hortus botanicus in Leiden, heeft nog vooroorlogse begonia’s. Het zijn erfstukken geworden die binnen de familie worden doorgegeven. Ze bevestigt het voorbehoud van Visser: virussen en mutaties. Maar planten verschillen sterk in hun gevoeligheid voor virussen. Nachtschadeachtigen zoals tomaat en tabak zijn notoir gevoelig voor het mozaiekvirus, andere planten hebben weer minder last. Hoe oud planten in hortussen zijn is vaak moeilijk te achterhalen omdat ze meestal uit andere botanische collecties worden overgenomen en niet – opnieuw – verzameld in het land van oorsprong.

„Mutaties zijn niet zo zeldzaam als mensen vaak denken”, zegt Reinout Havinga in Amsterdam. Richard Visser had daar ook al op gewezen. „Als je goed oplet zie je in oude bomen vaak takken met bladeren die er anders uitzien dan de rest. Dat heet een ‘sport’ , de kweker noemt het een ‘terugval’. Vooral bij cultivars met bonte bladeren kan het heel opvallend zijn.”

Er is dus die enigszins ongrijpbare invloed van virussen en mutaties. Anderzijds is aannemelijk dat kwekers, net als hortusbeheerders, ook (heel) oud materiaal doorgeven en vegetatief vermeerderen. Veel van de tegenwoordig gangbare kamerplanten worden al genoemd in kranten, boeken en catalogi van ruim twee eeuwen oud. Zo zou je durven vermoeden dat er hier en daar in Nederland nog planten achter de ramen staan die rechtstreeks afstammen van planten die nog in de VOC-tijd werden aangevoerd. „Daar zit ik ook wel eens aan te denken”, zegt Havinga.

    • Karel Knip