Recensie

Nooit geaccepteerd door de elite

Jaan Kross

Hoe leef je in een klein land dat steeds vermalen wordt door grootmachten en beheerst wordt door standsverschillen? Daarover gaat de grandioze roman Tussen drie plagen van deze Nobelprijs-waardige schrijver, die nu eindelijk is vertaald.

Illustratie Anne van Wieren

De adel deugt niet. En als het erop aankomt, kun je kooplieden nog minder vertrouwen. Het enige dat voor hen telt is eigenbelang: de opbrengsten van hun landgoed en hun koopwaar, het uitschakelen van hun concurrenten, het introuwen in andere belangrijke families om nog meer macht te verwerven. En als het zo uitkomt, heulen ze met hun grootste vijand.

Behoor je daarentegen tot het landsgrauw, dan kun je creperen. En wee je gebeente als je in opstand komt, want dan word je geradbraakt en gevierendeeld. Als je dat maar weet! Buigen zul je, buigen of vermorzeld worden.

In het zestiende-eeuwse Lijfland (het huidige Estland) voelt die adel zich het veiligst in Tallinn, de hanzestad van Duitse kooplieden. Daar kunnen de edelen zich het best verdedigen tegen het opstandige Estse gepeupel of de buitenlandse legers, de Moskovieten voorop, die Lijfland regelmatig binnenvallen en plunderen.

In dat Tallinn speelt Tussen drie plagen (1985) zich af, de eindelijk vertaalde historische roman van de Estse schrijver Jaan Kross. Dit lijvige boek leest als een trein, biedt universele waarheden over collaboratie, verzet en conformisme, schittert in zijn rijke taal en beschrijvingen, openbaart de menselijke psyche in al zijn geledingen en vertelt ook nog eens een ontroerend, waargebeurd verhaal.

Maar er is nog iets dat Tussen drie plagen bijzonder maakt, want eigenlijk kun je het geen historische roman noemen. Eerder is het een allegorie op het (over)leven in een klein Europees land dat eeuwenlang vermalen werd door de omringende grootmachten Denemarken, Polen, Zweden en Rusland. Die bijna onafgebroken buitenlandse overheersing is het centrale thema in het oeuvre van Kross, die tot aan zijn dood een groot kanshebber was voor de Nobelprijs voor Literatuur.

Jaan Kross (1920-2007) werd geboren in Tallinn, toen Estland na twee eeuwen Russische bezetting net twee jaar een zelfstandige staat was. Na zijn rechtenstudie werd hij docent aan de universiteit. Maar die carrière was voorbij toen de Sovjet-Unie in juni 1940 Estland binnenviel en nog geen jaar later een terreuroperatie tegen de Estse elite in gang zette. In één nacht werden in Tallinn 10.000 ambtenaren, intellectuelen, geestelijken en officieren uit hun huizen gehaald en in veewagens naar het oosten van de Sovjet-Unie gedeporteerd. In zijn romans De kring van Mesmer en Luchtfietsen behandelt Kross zowel dit drama als de daaropvolgende Duitse bezetting, die een nieuwe terreurgolf inluidde.

Moest Kross tijdens de Sovjetoverheersing onderduiken omdat hij van anti-bolsjewisme werd verdacht, nadat de nazi’s het Rode Leger als bezettingsmacht hadden afgelost, wist hij ternauwernood aan inlijving bij de SS te ontkomen. Wel werd hij gedwongen om voor de Duitsers te tolken. De informatie die hij in handen kreeg, speelde hij door aan de geallieerden.

In die dagen sloot Kross zich aan bij een verzetsgroep die een onafhankelijk Estland nastreefde. Op grond hiervan werd hij in april 1944 door de Duitsers gearresteerd. Toen zij enkele maanden later op hun beurt door het Rode Leger werden verdreven, vluchtten duizenden Esten uit angst voor Sovjetrepresailles naar Zweden of Duitsland. Kross miste de boot. Hij keerde terug naar de universiteit, maar werd in 1946 door de KGB gearresteerd en wegens ‘bourgeois recidivisme’ veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, die hij deels uitzat in de Goelag.

Geen concessies

Na Stalins dood kwam Kross vrij en besloot hij schrijver te worden. En omdat hij geen concessies wilde doen aan de strenge Sovjetcensuur (die een verborgen rol speelt in zijn roman De gek van de tsaar), koos hij voor het genre van de historische roman, omdat hij hierin verhuld over zijn eigen ervaringen kon schrijven. Het ging hem daarbij met name om de wijze waarop je je gedraagt als je land door een vreemde mogendheid wordt bezet, om het buigen voor een regime dat je verafschuwt, om verraad aan de meest basale regels van liefde en vriendschap, maar ook om het gekuip, de hypocrisie en het opportunisme van de elite, die in tijden van rampspoed met alle winden meewaait. Die universele thema’s kom je in Tussen drie plagen allemaal tegen.

Hoofdpersoon in die roman is Balthasar Russow (ca. 1536-1600), een Est van boerenkomaf, die op zijn dertigste tot pastor van de Heilige Geestkerk in Tallinn wordt benoemd en twaalf jaar later naam zal maken als chroniqueur van de geschiedenis van Lijfland. Dankzij hem weten we hoe de Lijflandse Orde van Duitse ridders, die sinds de dertiende eeuw vanuit hun burchten de heidenen kerstenden en het land bestierden, aan hun opportunisme ten onder gingen en hoe wreed het er tijdens de Lijflandse Oorlog (1558-1583) tegen tsaar Ivan IV aan toeging.

Wanneer Kross zijn held op de eerste bladzijden van zijn roman introduceert is hij twaalf jaar oud en zit hij op de Latijnse school van Tallinn. Een van zijn leraren, een Duitser, trouwt met zijn zus en wordt pastor van de Olafskerk in Tallinn. Russow trekt bij hen in en verlaat het dorp van zijn vader. Kort hierna krijgen ze gezelschap van dokter Friesner, een spion van de Zweedse koning, die een einde wil maken aan de invloed van zowel de Denen als de Lijflandse Orde in het gebied. Friesner is getrouwd met de mooie Katharina, die hij als hoer inzet voor zijn snode plannen. Ook Russow wordt bij dit machtsspel betrokken. Maar als Katharina hem verleidt, neemt hij de benen naar Stettin, waar hij theologie studeert.

Pas jaren later keert hij naar Tallinn terug. Hier wordt hij, zonder dat te beseffen, dankzij de bemoeienis van dokter Friesner en Katharina tot pastor van de Heilige Geestkerk beroepen, waar het Estse stadsgrauw komt bidden. En daar begint hij zijn kroniek, waarin hij de huichelarij en onderlinge machtsstrijd van de adel en de koopmansstand hekelt en het opneemt voor de noodlijdende Esten.

Lompe boer

Kross gebruikt die handvol biografische elementen voor zijn indrukwekkende portret van de alles en iedereen doorzienende Russow. Deze is enerzijds loyaal aan zijn Estse landgenoten, maar wil tegelijkertijd aan hun wereld ontsnappen en opklimmen in het milieu van de Duitse elite van Tallinn. De rode draad in Tussen drie plagen (de titel verwijst naar de pest) is echter dat die elite hem nooit zal accepteren, zelfs niet als hij met Elsbeth trouwt, de dochter van een lokale Duitse pelshandelaar. Ondanks zijn status, die hem op gelijk niveau met de stadsbestuurders stelt, blijft hij in hun ogen een lompe boer, die met zijn kroniek een bedreiging voor hen vormt. Dat gevoel van onbehagen zet Kross razend knap neer, waardoor hij van Russow een romanpersonage maakt om nooit meer te vergeten.

Daarnaast schittert Kross niet alleen in zijn beschrijvingen van de primitieve Esten, maar ook in die van de Lijflandse elite. Steeds weer verkoopt die zich aan de hoogste bieder, die soms tsaar Ivan IV is, maar meestal de Zweedse koning, die zijn rijk wil uitbreiden. Lijfland wordt zo de speelbal van het verraad van zijn eigen leiders.

In een van de mooiste scènes uit deze grandioze roman komt het landvolk tegen de landheren in opstand. De uit Duitsland teruggekeerde Russow raakt door toeval in de gelederen van de losgeslagen lijfeigenen verzeild. Ze zien hem als de geleerde die zich voor hen inzet en sturen hem mee met een delegatie, die de raadsheren van Tallinn moet overhalen om met hen een pact tegen de landadel te sluiten. Maar de raadsheren weigeren dat, omdat de opstandelingen niet alleen hún hulp inroepen, maar ook met de Moskovieten onder een hoedje willen spelen, die hun stad regelmatig belegeren. Het leidt tot een vermakelijke verwarring, die doet denken aan Thomas Manns beschrijving van de revolutie van 1848 in De Buddenbrooks.

De teleurgestelde opstandelingen worden hierna op het platteland door de adel in de pan gehakt. Russow zal de rest van zijn leven zijn betrokkenheid bij die opstand ontkennen, omdat dit hem alsnog de kop kan kosten. En daardoor is hij net zo’n huichelaar als de mensen voor wie hij zo’n minachting koestert, wat hem tegelijkertijd des te menselijker maakt.

In een andere prachtige scène proberen de raadsheren van Tallinn de publicatie van Russows kroniek te verhinderen, omdat ze vrezen er te negatief in beschreven te worden. Door ingrijpen van Russows trouwe knecht Märten mislukt hun plan. Het manuscript wordt per vrachtschip naar de drukker in Rostock gebracht, die het vermenigvuldigt en over de Noord-Duitse Hanzesteden verspreidt.

Maar dan moet ook hij buigen voor de macht. De nieuwe stadhouder van de Zweedse koning wijst hem erop dat hij het in zijn kroniek niet alleen moet opnemen voor het Estse volk, maar ook de ‘verdiensten’ van de Zweden over het voetlicht moet brengen in plaats van hen over een kam te scheren met de Polen, de Denen, de Russen en de Duitsers. In ruil daarvoor zorgt de stadhouder ervoor dat de raadsheren hem niet uit zijn functie ontheffen en hem een taks voor zijn kroniek betalen. Hier wint Russows ijdelheid het van zijn trots, want dankzij het succes van zijn kroniek is hij een beroemd man geworden. En van die sterrenstatus wil hij geen afstand doen.

Wie denkt dat in deze meesterlijke roman over macht en onmacht geen plaats is voor de liefde, heeft het mis. Russow trouwt drie keer en heeft vier keer lief. Nadat Elsbeth, aan de pest is overleden (in een aangrijpende sterfscène waarin hun liefde na een periode van haar bijna-overspel op de valreep opnieuw wordt bevestigd) trouwt Russow met de veel jongere Magdalena von Geldern, de dochter van de overleden bisschop van Tallinn. In die beide huwelijken met vrouwen uit de elite voelt hij zich minderwaardig, wat ten koste gaat van zijn oprechtheid in zijn verhouding met hen. De enige bij wie hij zich wel op zijn gemak voelt is de nederige Epp, die op de boerderij van zijn oom Jakob werkt. Maar als hij haar na de dood van Elsbeth ten huwelijk vraagt, schrikt zij terug voor het bestaan aan de zijde van een stadse dominee en wijst ze hem af. Anders dan hij blijft zij wél trouw aan haar afkomst.

Aan het einde van zijn leven vindt Russow troost bij een jonge, gevallen vrouw. Zij staat hem in zijn laatste jaren bij. Als hij op zijn sterfbed vergiffenis vraagt aan God, blijkt wat hem uiteindelijk heeft gedreven: de moed om temidden van alle narigheid in zijn land op sommige ogenblikken in zijn leven gelukkig te zijn. Ook al moest hij daarbij vuile handen maken.

    • Michel Krielaars