Opinie

Facebook-boycot lost niets op

Sociale media

Facebook moet gaan betalen voor onze data, schrijft de invloedrijke techno-criticus . In de data-revolutie die daarvoor nodig is kan Europa voorop gaan.

Illustratie Aron Vellekoop León

De gestage afname van het publieke vertrouwen in Facebook is een welkom bericht voor de mensen die al een tijdje waarschuwen voor de gevaren van ‘data-extractivisme’.

Het is een geruststelling om sluitend en afdoend bewijs te hebben dat achter de verheven retoriek van Facebook („de opbouw van een wereldgemeenschap die in ons aller voordeel is”) een cynische en uitermate agressieve operatie schuilgaat: de bouw van een mondiale stofzuiger die alle gegevens in zijn buurt te gelde maakt. Net als veel branchegenoten verdient Facebook geld door diep in onze data-ziel te boren – onze gegevens komen als pokes en likes eenvoudig aan de oppervlakte. Dat doen ze ongeveer zoals energiebedrijven diep in oliebronnen boren: eerst de winst, dan de maatschappelijke en individuele gevolgen.

Bovendien vinden velen van ons de rooskleurige, marketing-vriendelijke toekomst bepaald niet meer zo vanzelfsprekend. Hierin wordt met slim gerichte reclame de aanwezigheid bekostigd van iets wat zelfs door Mark Zuckerberg ‘sociale infrastructuur’ wordt genoemd. De financiële kosten van de bouw en het beheer van deze ‘sociale infrastructuur’ mogen dan nihil zijn, althans voor de belastingbetaler, de maatschappelijke en politieke kosten zijn misschien nog wel moeilijker te verantwoorden dan de kosten van goedkope aardolie in de jaren zeventig.

Dit besef, hoe plotseling en schokkend misschien ook, is niet genoeg. Facebook is een symptoom, niet de oorzaak van onze problemen. Een verwijt aan de bedrijfscultuur is vermoedelijk even zinloos als de druk op het bedrijf om een nieuwe gedragscode voor de omgang met gebruikersgegevens na te leven.

De inzet van het groeiende publieke debat zou daarom niet moeten zijn of Mark Zuckerberg zakelijk in ballingschap moet worden gestuurd. We moeten ons best doen te doorgronden hoe we de digitale economie zo kunnen inrichten dat de burgers ervan profiteren – en niet alleen een handjevol miljardenbedrijven die hun gebruikers zien als passieve consumenten die zelf geen politieke of economische ideeën of ambities hebben.

Lees ook: Wie biedt nog tegenwicht aan Facebooks datahonger?

Deze omvormingsagenda wordt gehinderd door tal van obstakels. En erger nog, deze obstakels zijn structureel en dus waarschijnlijk niet op te lossen met een slimme app. Ik geloof ook niet in een Facebook-boycot, zoals de satiricus Arjen Lubach voorstelt, omdat dat het probleem reduceert tot consumenten-activisme, wat weinig te maken heeft met de politieke interventies die nodig zijn op het gebied van datagebruik.

De obstakels komen vooral voort uit de turbulente dynamiek van het hedendaagse kapitalisme dat sterker stagneert dan de obsessie met innovatie doet vermoeden.

Allereerst: hoe modieus het inmiddels ook is om Facebook af te katten, we kunnen er moeilijk omheen dat het, samen met Google, Amazon, Microsoft en de rest van het stel, dé oorzaak is geweest van het feit dat de Amerikaanse aandelenmarkt tot recordhoogte is opgestuwd. Zij hebben aan een zekere welvaart bijgedragen in een tijd dat de rest van de economie nog altijd met de gevolgen van de financiële crisis worstelt.

Huizenmarkt

Eigenlijk verschilt de Amerikaanse tech-markt van ná 2010 niet zoveel van de Amerikaanse huizenmarkt uit de eerste tien jaar van deze eeuw: beide probeerden rijkdom te scheppen door waardevermeerdering op papier, terwijl de reële economie het moeilijk had. Vergeet even de immense winst van de grote tech-bedrijven in de laatste jaren, en er is weinig reden om te spreken van een betekenisvol herstel van de crisis. Alleen dit is al een belangrijke reden waarom Amerika zelf vermoedelijk niets zal doen om zijn tech-reuzen iets in de weg te leggen, vooral nu de Chinese tech-bedrijven steeds vaker hun spierballen tonen en expanderen naar het buitenland. Trump zal blijven schuimbekken over Amazon – maar alleen totdat hij Alibaba doorkrijgt. Het was veelzeggend dat Zuckerberg in de Amerikaanse Senaat een spiekbriefje had waarop stond dat het opbreken van Facebook alleen maar China in de kaart zou spelen.

Natuurlijk kan Facebook zijn bedrijfsmodel proberen te veranderen. Amazon en Google-moeder Alphabet richten zich de laatste tijd bijvoorbeeld op de veel winstgevender dienstensector, waar met behulp van kunstmatige intelligentie hogere winstmarges worden gehaald. Facebook heeft weliswaar voortreffelijke AI-onderzoekers en data te over om die onderzoekers bezig te houden, maar het betreedt dit terrein wel heel laat en het zal na alle schandalen van de laatste tijd niet meevallen om potentiële zakelijke klanten ervan te overtuigen dat hun gegevens veilig zijn.

Stop met reclame

Het bedrijf heeft daarom maar één keus, die al is bepleit door een aantal van zijn eerste investeerders, onder wie Roger McNamee: stop met reclame en voer voor de diensten een maandtarief in – in wezen een abonnement. De gedachte hierbij is dat Facebook dan misschien twee vliegen in één klap slaat: het wordt minder lonend om nepnieuws te verspreiden en het voelt zelf ook minder drang om zoveel gegevens over zijn gebruikers te verzamelen en op te slaan.

Op dit moment lijkt het perspectief van zo’n stap niet erg gunstig (wát, moeten we Facebook nu ook nog gaan betalen na alles wat het heeft gedaan?), maar dat kan veranderen als de huidige schandalen vervagen en een reeks partijen zich aandient (van regeringen tot universiteiten en liefdadige instellingen) om die maandrekening van Facebook te betalen.

Spervuur beloften moet ons het gevoel geven dat de digitale economie zelf niets mankeert

In de tussentijd krijgen we natuurlijk een spervuur aan beloften, van vooral Europese politici, maar ook van tech-bazen, dat ze hun best zullen doen om de controle over onze gegevens te verscherpen en zelfs nieuwe wetgeving in zullen voeren om flagrant misbruik te bestraffen. Deze ontwikkeling moeten we heel nauwlettend volgen, want dat soort retoriek is er op uit om ons weer het gevoel te geven dat de digitale economie als zodanig niets mankeert. Om ons ervan te overtuigen dat, op een paar rotte appels en hun immorele streken na, alle grondbeginselen er goed uitzien en dat er geen grote gevaren zijn.

Tegengestelde universums

Dit gevoel dat alles weer normaal is, zal goed in het wereldbeeld passen van zowel de Europese technocraten als de techneuten. Die worden vaak als bewoners van twee volstrekt tegengestelde universums voorgesteld. Maar ondanks hun vaak bejubelde onmin verschillen de Europese technocraten en de techneuten van Facebook weinig in hun kijk op de wereld: beiden beschouwen de onaantastbare en goddelijke markt als het middelpunt van de wereld, waarop bedrijven alle mogelijke diensten bieden aan de almachtige gebruikers/consumenten die, als ze niet tevreden zijn, altijd met hun klandizie naar een ander kunnen gaan.

De enige toegestane ingrepen in deze wereld zijn initiatieven om de consumenten- en datarechten te versterken, de concurrentie te verhogen, misschien meer belastingen te innen (hier komen de Europese technocraten in het spel) en nog betere diensten en technieken te bedenken (het terrein van de Facebook-technici). In deze fantastische wereld is de geschiedenis werkelijk ten einde gekomen en is het mondiale kapitalisme niet alleen oppermachtig, maar werkt het ook echt en brengt het overal waar het komt welvaart en meritocratie. Het is dan ook niet nodig om andere vormen van sociale en politieke organisatie te overwegen of voor te stellen.

Overheidsingrijpen

Deze kijk op de wereld is natuurlijk volstrekt in tegenspraak met de werkelijkheid: zo is het succes van de tech-reuzen in de Verenigde Staten en China een direct gevolg van krachtig overheidsingrijpen in de marktwerking – niet van de vrijlating van die markt. In de VS vergde het tientallen jaren militaire financiering om Silicon Valley van de grond te krijgen – en minstens evenveel decennia van zorgvuldig gesleutel aan het wereldhandelsstelsel om het voor andere landen veel moeilijker te maken om vergelijkbare technologieën te ontwikkelen.

Maar het verschil tussen de Europeanen en de Amerikanen is dat de Amerikanen het ene zeggen en het andere doen, en dat de Europeanen dom genoeg vaak precies doen wat ze zeggen. Dus deden China en de Verenigde Staten hun best om de belangen van hun almaar groeiende tech-industrie te beschermen, terwijl Europa zijn best deed om te waarborgen dat de eigen industrie eerlijk met de andere concurreerde.

Het slechte nieuws is dat Europa daardoor niet meer zoveel technologische capaciteit van eigen bodem heeft. Het goede nieuws is dat Europa, anders dan de VS (waar de binnenlandse economie zo sterk met de technologie verbonden is) en China (waar bijvoorbeeld geen invloed van data-extractivisme op de verkiezingen is omdat er, nou ja, geen verkiezingen zijn), als enige speler in een goede positie is om voorop te gaan in een heel ander soort data-revolutie. Een revolutie die tot een ommekeer in de tech-industrie kan leiden en voor innovatie op technologisch en politiek gebied kan zorgen.

Geen individueel bezit

Kortom, we mogen Facebook niet laten wegkomen met een nota voor zijn diensten of het blijven exploiteren van onze gegevens ten behoeve van reclame. We moeten een manier vinden om bedrijven als Facebook te laten betalen voor de toegang tot onze gegevens – die merendeels zijn op te vatten als iets wat we gezamenlijk en niet als individu bezitten.

Veel andere partijen die met deze gegevens willen werken en er diensten op willen baseren – van universiteiten tot bibliotheken, van welzijnsinstellingen tot openbaar-vervoerbedrijven, van ondernemers tot gemeenten – kunnen hun eigen toegangsvoorwaarden stellen, soms gratis en soms zwaar gesubsidieerd – onder meer misschien door speciale staatsfondsen uit risicokapitaal.

Waar al deze fondsen vandaan moeten komen? Tja, het zou zeker helpen als Facebook en Google voor de toegang tot gegevens echt een tarief zouden moeten betalen. Het doel is om verschillende databomen te ‘planten’. Wil Facebook diensten aanbieden die systematische dataverzameling te gelde maken, dan moet het daartoe de vrijheid hebben – tegen een prijs en met de volle instemming van de gebruikers. En er is geen reden om rond diezelfde dataverzamelingen geen andere modellen uit te proberen (abonnementsgelden, gesubsidieerde toegang, geheel gratis toegang op grond van inkomen, etc.).

Er zijn stevige discussies mogelijk over de balans tussen het individuele en het collectieve recht op data-eigendom. Wie betoogt dat we gewoon ‘data-aandeelhouders’ moeten worden en een rendement op onze gegevens moeten krijgen, waarbij Facebook en Google deze blijven benutten voor reclame of andere doeleinden, zal het misschien lastig krijgen met het feit dat de daadwerkelijke volle waarde van zulke data pas blijkt als ze van vele individuen worden samengevoegd, en dat we dus niet zomaar de totaalomzet van deze bedrijven kunnen nemen en die door het aantal individuele gebruikers hoeven te delen om te bepalen wat ieder van ons toekomt.

Europese traditie

We hoeven intussen de befaamde Europese traditie van databescherming niet af te schaffen. Hij moet alleen een andere richting krijgen. We moeten databescherming combineren met een pro-actieve economische en democratische agenda. Deze moet ervoor zorgen dat de burgers niet de controle kwijtraken over de kostbare bron (data) en infrastructuur (kunstmatige intelligentie), want hier omheen zullen toekomstige politieke en economische instellingen worden gebouwd.

Rechts heeft de inzet van deze strijd al begrepen. Op een bijeenkomst onlangs van de Financial Times noemde Steve Bannon het herstel van de ‘digitale soevereiniteit’ een van de grote thema’s die bepalend zullen zijn voor de populistische woede tegen het mondialisme. Het is overigens een vorm van pseudo-antimondialisme, want om winst te maken met onze data moeten volgens Bannon de financiële markten – geglobaliseerde instituten bij uitstek – meer macht krijgen.

Ambtenarij

Links heeft heel weinig over dit onderwerp te melden, afgezien van een paar dappere experimenten met data-eigendom op gemeentelijk niveau. Dat is jammer, want deze data-discussie biedt links de unieke gelegenheid om ook tal van andere standpunten te heroverwegen: hoe de ambtenarij en publieke sector in te richten in een tijd dat burgers met sensoren en vaak superieure technologieën zijn uitgerust, hoe nieuwe soorten vakbonden in te richten in een tijd van alomtegenwoordige automatisering, hoe een gecentraliseerde politieke partij in te richten in een tijd van gedecentraliseerde en horizontale communicatie.

In plaats daarvan blijft links de technocratische trom roeren en meer databescherming, meer belastingen en meer antitrust-wetgeving eisen. Met die maatregelen is als zodanig niets mis, maar ze zijn niet toereikend voor de taak die voor ons ligt. Meer regulering is niet iets om toe te juichen als het van de verkeerde soort is.

We kunnen kiezen uit drie politieke mogelijkheden. We kunnen doorgaan met het huidige model, waarbij Facebook, Google, Amazon en de anderen steeds meer taken van de staat overnemen.

We kunnen ook kiezen voor het soort pseudo-antimondialisme dat Steve Bannon voorstaat en enige autonomie van de tech-reuzen terugvorderen door de financiële sector overdreven bevoegdheden te geven.

Tot slot kunnen we de data-polemiek van de laatste tijd gebruiken om een werkelijk gedecentraliseerde en geëmancipeerde politiek te formuleren, waarbij overheidsinstellingen (van nationaal tot gemeentelijk niveau) worden ingezet om een sociaal recht op data te erkennen, tot stand te brengen en te bevorderen. Deze instellingen zullen verschillende dataverzamelingen inrichten, pools waarvan de toegangsvoorwaarden zijn gedifferentieerd. Ook moeten ze ervoor zorgen dat mensen met goede ideeën die commercieel weinig levensvatbaar zijn, maar die een grote maatschappelijke uitwerking beloven, durfkapitaal krijgen om hun ideeën te verwezenlijken.

Deze nieuwe politiek komt tegemoet aan het verregaande gevoel van vervreemding van het publieke en politieke leven dat overal ter wereld wordt gevoeld. Het zal niet eenvoudig zijn, maar het kán wel. Al is dat misschien over tien of zelfs vijf jaar niet meer het geval, wanneer aan de oppervlakte komt wat de politieke en economische kosten van het data-extractivisme zullen zijn. De databron die onze ziel is, zal net als elke andere boorlocatie ook niet eeuwig meegaan.

Vertaling: Rien Verhoef. Dit is een bewerkte versie van een artikel in The Observer.