Column

Eendjes voeren

Daar gaat hij, de zonderling op zijn fiets, gebogen over zijn stuur waaraan een grote supermarktzak met inhoud. Met een moeilijk te plaatsen vastberadenheid trapt hij zich een weg vanuit de Eerste Jan van der Heijdenstraat het Sarphatipark in. Ik ken hem niet, maar de reigers, de eenden, de meeuwen en wat er nog meer door zo’n park fladdert op een doordeweekse middag kennen hem wel; ondanks, of misschien wel dankzij de capuchon over zijn hoofd, dat nu zowat op zijn stuur ligt van de inspanning.

De reigers maken nog de meeste indruk, enkele meters boven de grond statig wiekend met hun reuzenvleugels langs en achter, en zelfs vóór hem: volledig op de hoogte van zijn bestemming.

Wat er in de dieren omgaat, lijkt me helder. Niets conditioneert beesten zo snel als voeren. Eten krijgen is fijner dan het te moeten zoeken, om te scharrelen in het gras of eindeloos te moeten wachten langs de waterkant en dan iets vangen, of niet.

Wat er in de gekromde man op zijn fiets omgaat, denk ik ook wel te weten: de liefde tussen mens en dier.

Als in een Walt Disneyfilm slingert de man zich in een wolk van vogels langs het Groen Gemaal en het standbeeld van Dr. Sarphati naar de vijver. De reigers zijn er eerder dan hij. Heel zijn vastberadenheid drukt het immense belang uit van zijn daden. Zonder hem zou het park leeg zijn, wat heet, de natuur zou verloren gaan en mogelijk de complete mensheid erbij. Iemand moet het doen: die houding. Met de vogels heeft hij een stilzwijgende vriendschap gesloten, misschien zijn enige.

Ik voel de behoefte niet de leraar uit te hangen. Geen zin de kromme man onder zijn capuchon te wijzen op de nadelen van het voeren; op de vlammende betogen op amsterdam.nl hiermee op te houden vanwege het gevaar van rattenplagen en enge ziektes. De idee van een biologielesje aangaande de funeste gevolgen van brood voor vogels verdampt bij het zien van de zonderling en zijn kornuiten. De gemeente schijnt vanaf deze maand zelfs handhavers af te sturenop mensen die dieren voeren. Het zal wel.

Eenzaam de contouren van de man met zijn capuchon in een zwerm vogels: eenzaam maar niet alleen in het park dat nu van hem is. De ogen gericht op het brood, op de tas, de dieren, verder op niets en niemand. Zijn toewijding ontroert me. Hij doet er toe, kijk maar, hij wordt herkend, bemind.

Even kijkt hij naar me op en zie ik zijn ogen: zacht en waterig, een vleugje rood. Na gedane arbeid houdt hij de plastic zak voor alle zekerheid nog even ondersteboven opdat alle kruimels de eenden en kraaien en kauwen ten goede komen.

Zonder de vogels te groeten loopt hij weg, slingert zijn been over zijn zadel. Aan zijn stuur hangt nog een tas. Op naar het volgende park, naar weer andere vrienden die zijn werk waarderen.

Auke Kok is schrijver en journalist.