De nieuwe Nederlandse wielerschool

Wielrennen Winst in de Giro, de Ronde van Vlaanderen, de Tour-etappe op de Champs-Élysées. Het Nederlandse wielrennen beleeft hoogtijdagen. Hoe komt dat?

Tom Dumoulin, winnaar van de Giro d’Italia. Foto Alessandro di Meo/EPA

De 21-jarige wielrenner begint met een quote van Steve Jobs, de overleden Apple-oprichter. „Hij zei: ‘You can’t connect the dots looking forward, you can only connect them looking backwards.’ Als ik terugkijk op de laatste jaren, moet ik concluderen dat ik veel kansen heb gekregen. Van mijn ouders, die zeiden dat ik het na de havo gewoon moest proberen. En van de mensen bij SEG, die zagen dat ik een aardig eindschot had.”

Toen de Nederlandse wielrenner Fabio Jakobsen vorige week woensdag een uitgedund peloton aan gruzelementen sprintte in de straten van het Antwerpse Schoten en na Nokere-Koerse ook de Scheldeprijs won, was een nieuwe ster geboren. De klasse droop er vanaf, overwinningen waren een kwestie van tijd geweest – een gevolg van de energie die was gestoken in zijn ontwikkeling.

Hoewel de bonkige kerel uit Heukelum (Gelderland) pas aan zijn eerste jaar als profwielrenner bezig is, rijdt hij in de rondte alsof hij al jaren niet anders doet. Dit seizoen pikte het Vlaamse sterren-ensemble Quickstep hem op bij de SEG Racing Academy, een continentaal team dat twee niveaus lager koerst dan de World Tour. Het is het voorportaal van de professionele sport, waar jonge renners worden opgeleid.

Jakobsen doorliep die opleiding „precies volgens het boekje”, zegt SEG-manager Bart van Haaren. „Dat hij in zijn eerste jaar als prof meteen wedstrijden wint, is geen toeval. Toen hij bij ons kwam, trainde hij ongestructureerd. Peter Schep [oud-wereldkampioen puntenkoers] is met hem aan de slag gegaan, hij is krachttraining gaan doen, op zijn voeding gaan letten. In drie jaar werd hij ultiem profklaar.”

Grootste talenten van het land

Fabio Jakobsen is een product van wat je de nieuwe Nederlandse wielerschool kan noemen. Dat begon een jaar of vier geleden, vlak voordat Rabobank de stekker trok uit de toen belangrijkste opleidingsploeg, het Rabobank Development Team. De bank gaf de grootste talenten van het land – jongens als Sam Oomen, Wilco Kelderman, Tom Dumoulin, Steven Kruijswijk en Bauke Mollema – de kans om te ontdekken dat ze konden klimmen, waarna ze zich konden ontpoppen tot ’s werelds besten in de grote rondes. Veelal werden ze ontdekt bij de jaarlijkse Rabobank Ardennen Proef, ook wel de RAP-dagen genoemd, waar klimtijdritten werden gehouden op heuvels als de Wanne en de Rosier.

In 2016 stopte Rabobank na twintig jaar met het opleiden, een aderlating voor de vaderlandse wielersport. Al die jaren was het Development Team zo’n beetje de enige plek waar je als jonge renner een goede kans maakte om prof te worden – uitzonderingen daargelaten, renners als Wout Poels en Niki Terpstra vonden een andere weg naar de top.

Bij Rabo was alles voorhanden: jongens die werden gescout, reden rond hun twintigste een uitgebreid internationaal wedstrijdprogramma en beschikten over het beste materiaal en over de beste begeleiding. Bovendien beschikte Rabobank ook over een profteam, dus de stap van belofte naar beroeps was klein en vond plaats binnen de eigen organisatie.

Maar van het Development Team was er geen tweede. „Als het ging om opleiden had Rabobank het monopolie”, zegt Peter Zijerveld, talentcoach van wielerbond KNWU. „Het was een talentenfabriek waar we nog altijd veel aan te danken hebben. Maar door dat monopolie vielen er veel jongens buiten de boot. Want het ging er vooral om klassementsrenners.”

Dat we die momenteel genoeg hebben in Nederland moge duidelijk zijn. Vijf Nederlandse renners eindigden vorig jaar in de toptien van een grote ronde, dat was niet meer gebeurd sinds 1987. Tom Dumoulin was met zijn Giro-winst de absolute uitschieter.

Andersoortige renners

Maar tegenwoordig winnen ook andersoortige renners grote wedstrijden: Niki Terpstra was twee weken terug de beste in de Ronde van Vlaanderen, afgelopen weekend werd hij derde in Parijs-Roubaix. Hij bevindt zich in de nadagen van zijn loopbaan, net als Jos van Emden, die vorig jaar de afsluitende tijdrit in de Giro won. Toen Dylan Groenewegen vorig jaar in de laatste Tour-etappe op de Champs-Élysées naar de zege sprintte, was dat de opmaat naar meer, want dit jaar was hij al vijf keer de beste. En dit seizoen breekt dus Jakobsen door. Nederlanders doen mee op alle fronten.

Ook Thorwald Veneberg, bondscoach van de KNWU, stelt dat tevreden vast. „De tijden waarin we moesten vrezen dat we in de internationale rangschikking niet bij de eerste zes landen eindigden en daardoor aan het eind van het seizoen ook niet het maximaal aantal renners op het WK mochten opstellen, zijn voorbij. Dat probleem hebben we al zes jaar niet meer.”

De basis voor dat succes ligt volgens Veneberg in de infrastructuur en de cultuur in Nederland. „Alle kinderen leren hier zwemmen en fietsen. Ik heb ook een tijdje in België gewoond. Daar fietst dus niemand. Hier liggen overal fietspaden. Daar begint het mee.”

Daarnaast hebben we in Nederland een goede verenigingsstructuur voor wielrenners, stelt Veneberg: „Op een klein oppervlak zijn er veel wielerclubs waar je vanaf een jaar of acht lid kan worden. Vanuit daar kun je doorstromen naar een regioselectie, en daar halen continentale wielerteams hun renners vandaan. Er wordt volop samengewerkt in Nederland. Men is bereid om kennis en talent met elkaar te delen.”

Aanvankelijk werd die vijver leeggevist door Rabobank, de ploeg waar Veneberg zelf ook werd opgeleid en tot het einde van zijn carrière bleef fietsen. „Nu zie je dat de markt het overneemt. Vooral SEG [Racing Academy] en Delta Cycling Rotterdam springen in het gat dat door het vertrek van Rabobank is ontstaan. Natuurlijk moet nog maar blijken of dat ook gaat werken. Maar het ziet er goed uit.”

Frank Kwanten is teammanager bij Delta Cycling, dat net als SEG op continentaal niveau koerst. Hij merkt op dat succes in een golfbeweging verloopt, en dat we aan de huidige successen geen conclusies moeten verbinden.

In de jaren zeventig en tachtig wonnen Nederlandse renners als Gerrie Knetemann, Joop Zoetemelk en Jan Raas veel wedstrijden – etappes, eindklassementen én klassiekers. De jaren negentig gingen de geschiedenisboeken in als het epo-tijdperk, waarin Nederlandse renners het moeilijk hadden. Maar de voorbije seizoenen krabbelen we op. We winnen weer, relatief veel.

De clubstructuur in Nederland

Ook Kwanten noemt de clubstructuur in Nederland als mogelijke oorzaak: „Als kind kun je redelijk eenvoudig gaan wielrennen. Er zijn zo’n 160 clubs, verspreid door het land. Sommige verenigingen koersen op hoog niveau, denk aan Westland Wil Vooruit of het Alecto Cycling Team. Van die continentale teams hebben we er veel: zeven. Door die structuur kunnen we talent goed ontdekken en verder helpen, richting pro-continentaal of zelfs World Tour.”

Voor de ontwikkeling van de wielersport in Nederland is Rabobank van grote invloed geweest, vindt Kwanten. „Zoals Lance Armstrong de toon zette met training en focus op een grote ronde, heeft Rabobank dat gedaan op het gebied van opleiden. Niet alleen kwamen daar talentvolle renners uit voort, maar ook trainers. Elke continentale ploeg beschikt nu over wetenschappers en mental coaches. Renners, maar ook de staf investeren in zichzelf en willen elkaar verder helpen. In de tijd van Jan Raas was dat niet zo. Toen reden ze elkaar kapot.”

Bij Rabobank was alles voorhanden: jongens die werden gescout, reden rond hun twintigste een uitgebreid internationaal wedstrijdprogramma

Het is de laatste tien jaar professioneler geworden, vindt Veneberg. „In mijn tijd als beroepsrenner moest ik maar zorgen dat ik goed was op de wedstrijden, ik was een soort eigen bv. Tegenwoordig hebben zo’n beetje alle junioren hun eigen trainer.”

Voor die leeftijdscategorie zet talentcoach Zijerveld zich in. Hij organiseert elke schoolvakantie een trainingskamp voor talentvolle junioren (16 tot 18 jaar). Dan zijn er in juli de Limburgse Testdagen (de oude RAP-dagen) en worden maandelijks „cluboverstijgende activiteiten voor jonge renners die willen doorgroeien” georganiseerd, vertelt Zijerveld. Verder start hij in 2019 een Nationaal Trainingscentrum voor wegrenners op in Eindhoven en Sittard, in navolging van van BMX en baanwielrennen.

Sjoerd Bax (22) ziet dat zijn kansen om prof te worden zijn gegroeid. Hij werd in 2015 gescout door het Development Team maar toen de sponsoring stopte, kwam hij terecht bij Delta Cycling. „Bij Rabobank werd alles voor je geregeld. Andere renners keken je met de nek aan, want het was over de top. Jij bent toch het grote talent, laat het maar zien, werd er gedacht. Mentaal is dat lastig. En als je uiteindelijk niet doorstroomde naar de profs van Rabobank, dan was dat voor andere ploegen een signaal dat je niet goed genoeg was. Nu rijd ik meer ontspannen rond. Ik wil tijdrijder en klassiekerspecialist worden. Daar krijg ik bij Delta de kans voor.”

Het klinkt allemaal mooi, maar dat betekent niet dat er nu een blauwdruk is voor de ideale opleiding, zegt SEG-manager Van Haaren. „Talent kun je niet kweken, wel begeleiden.” Hij waarschuwt: „Het aantal juniorenlicenties loopt al een tijd drastisch terug. Je mag hopen dat al dat succes een nieuwe generatie inspireert.”