Onderwijs

Betere leraren kosten nu eenmaal geld

Onderwijsblog De achteruitgang van het onderwijs wordt niet verholpen met hogere exameneisen maar met betere leraren. Maar die kosten geld, schrijft Jan Drentje.

ANP Jeroen Jumelet

De afgelopen jaren zijn de jaarverslagen van de onderwijsinspectie spraakmakend geweest. De toegenomen selectiedruk en daaruit voortvloeiende kansenongelijkheid werden geagendeerd. Het nieuwe jaarverslag, de Staat van het Onderwijs 2016/2017, is opnieuw alarmistisch van toon. Wie de film van de onderwijsresultaten van de afgelopen twintig jaar terugspoelt, ziet dalende onderwijsprestaties, aldus hoofdinspecteur Monique Vogelzang. Toptalent komt onvoldoende tot bloei. Er zou onvoldoende ambitie zijn bij de scholen.

Dat is nogal een aantijging. Aangezien ook ik me vaak zorgen maak over de daling van de kwaliteit van ons onderwijs, zou ik in dit rapport een bevestiging kunnen vinden van mijn bange vermoedens. Dus ging ik op zoek naar de onderliggende onderzoeksgegevens. Onderzoek hangt immers samen met analyse van oorzaken en dus het zoeken naar de juiste oplossingen.

Basisniveau

Bij de resultaten voor het Primair Onderwijs springen twee gegevens eruit. Een kleine toename van het percentage leerlingen dat de basisschool als laaggeletterd en laaggecijferd verlaat. En vooral: een daling van het aantal leerlingen dat het streefcijfer voor taal en rekenen haalt. Ze halen wel het basisniveau, maar meer ook niet. Dat is inderdaad zorgwekkend. Een duidelijk signaal dat het niet goed gaat in het basisonderwijs.

Maar: vervolgens ontbreekt een gedegen analyse van wat er mis zou kunnen zijn. De afgelopen maanden kwamen leraren van het basisonderwijs in actie. Ze protesteerden tegen te volle klassen, te hoge werkdruk, achterblijvende voorzieningen en salarissen. In de te volle klassen moeten zij bovendien veel zorgleerlingen bedienen die eerder konden worden doorverwezen naar speciaal onderwijs. Als je in een groep van rond de dertig leerlingen een flink stel zorgleerlingen en een aantal hoogbegaafden moet bedienen, dan – zo leert onderwijservaring – zijn de ‘gewone’ middenmoters vaak de dupe.

Er is een grens aan de mogelijkheden tot differentiatie binnen dergelijke heterogene klassen. Bovendien zijn de gelden voor inzet van remedial teachers beperkt. Hier is geen sprake van een te laag ambitieniveau, maar van groot achterstallig onderhoud. Inderdaad, het is zoals de inspectie zegt: de overheid moet ingrijpen door vooral fors te investeren in middelen en mensen.

Slagen of zakken

Minder overtuigend zijn de statistische gegevens van het deel over het voortgezet onderwijs. Hier en daar ziet de inspectie een kleine daling van het percentage geslaagden, maar dat zijn echt marginale afwijkingen. We zien geen statistiek van de afgelopen twintig jaar die de conclusie rechtvaardigt dat dit structureel zou zijn. De algemene indruk is eerder dat scholen de afgelopen jaren juist enorm hun best hebben gedaan om met een hoog percentage geslaagden op de onderwijsmarkt te kunnen scoren. Daartoe overigens mede aangezet door opbrengstnormen van de inspectie. Percentages liggen overwegend boven de 90 procent. En van de gezakten slaagt het overgrote deel een jaar later, maar die gegevens zijn niet meegenomen in het onderzoek.

Wie bij de overgang van onder- naar bovenbouw scherp selecteert, krijgt automatisch een hoger percentage geslaagden. Maar diegene beperkt vervolgens de kansen vooral voor leerlingen met niet-westerse ouders en ouders die zelf weinig scholing hebben gehad. Na eerdere alarmerende rapporten van de onderwijsinspectie over kansenongelijkheid zijn er gelukkig weer meer scholen die leerlingen kansen willen geven, constateert ook de inspectie. Dat kan echter ook een daling van het percentage geslaagden tot gevolg hebben.

Als je jongens in 4 havo met zwakke cijfers toch laat overgaan naar de examenklas, in plaats van zittenblijven of afstromen naar een lager niveau, neem je het risico van zakken voor het examen. Als die gezakte leerling een jaar later alsnog slaagt, is dat per saldo winst. Dergelijke verbanden zijn niet onderzocht. Die zullen de komende jaren echter van invloed zijn als scholen bij de overgang van vmbo naar havo geen instroomeisen meer mogen stellen.

Bovendien: er is de afgelopen jaren veel gewijzigd in de zak-/slaagregeling en het soort examens dat wordt afgenomen. Zijn resultaten van twintig jaar geleden zomaar te vergelijken met die van nu?

Wis- en natuurkunde

De inspectie constateert een daling van het gemiddelde eindcijfer bij wis- en natuurkunde. Wiskunde is in het voortgezet onderwijs onderdeel van de zogenaamde kernvakkenregeling (Nederlands, Engels, wiskunde) waarvan er maar één afgesloten mag worden met een vijf. Sinds de invoering daarvan in 2012 nam het percentage voldoendes toe, terwijl de onderliggende scores op het examen sterk fluctueerden. De eindscores worden bepaald door het College van Toetsing en Examens, op basis van de zogenaamde N-term waarmee je achteraf kunt bepalen bij welke score iemand een voldoende heeft.

Door de wiskundige Gerard Koolstra is aangetoond dat hiervan kosmetische effecten zijn uitgegaan. Op basis van zijn analyse lijkt het erop dat de eerste jaren bewust gestuurd is op het constant houden van het percentage voldoendes om negatieve effecten van de kernvakkenregeling te neutraliseren. Hoewel het College voor Toetsen en Examens in toenemende mate openheid van zaken wil geven bij de bepaling van de normen, blijft het voor het onderwijsveld toch een black box hoe resultaten tot stand komen. In ieder geval: je kunt hier zonder diepgaand statistisch onderzoek (en de invloed van N-termen) geen harde conclusie uit trekken.

Zesjescultuur

Het meest alarmerend is de constatering van de inspectie dat uit vergelijkend internationaal onderzoek blijkt dat gemiddelde prestaties van Nederlandse leerlingen een dalende trend vertonen. Gemiddeld lagere cijfers voor de examens. De vermaledijde zesjescultuur. Eerder bleek al uit een onderzoek van de OESO dat leerlingen in het Nederlandse voortgezet onderwijs relatief weinig motivatie tonen en zich vaker dan elders in Europa in de klas onordelijk gedragen. Plus, dat talent onvoldoende wordt uitgedaagd. Maar: ze hebben het op school wel naar hun zin. De Nederlandse schooljeugd is op basis van dit soort rapporten even lui als gelukkig.

Een paar opmerkingen daarover:
• School en leren moeten vooral leuk zijn. Dat is zo ongeveer de moraal van de didactiek van de afgelopen decennia. En scholen zijn ook vaak erg leuk geworden. Met toneelgroepen, sportafdelingen, uitwisselingen met het buitenland, zang, muziek, dans: er is veel aandacht voor buitenschoolse activiteiten.
• Die moraal wordt door de meeste ouders gedeeld. Het leven van hun kinderen is meer dan school. Dus veel ruimte voor sport, hobby’s, sociale contacten, bijbaantjes.
• Daardoor is er niet veel tijd over voor gestructureerd huiswerk maken. En het toezicht daarop thuis is vaak beperkt (of wordt door wie het kan betalen ingehuurd).
• De afleiding van smartphone en social media is groot.
• Jongeren lezen structureel minder dan voorheen, terwijl de taligheid van examens is toegenomen.

Als je het drukke sociale leven van leerlingen bekijkt, de uren die zij online doorbrengen, valt het gemiddelde resultaat dat zij behalen nog erg mee. En dat gemiddelde resultaat zegt weinig over hun intelligentie. Zij profiteren namelijk heel intelligent van de vele mogelijkheden die er zijn. En als het moet, gaan ze ervoor. Voor de toets, maar dat is dan vaak een oefening voor de test, met te weinig vormende waarde.

Is dit onderpresteren te wijten aan de scholen? Of is het een cultureel probleem? In ieder geval staan cultuur en school niet los van elkaar. De inspectie roept de overheid op om maatregelen te nemen het ambitieniveau te verhogen.

Goochelen

Wat zou de minister van Onderwijs kunnen doen? Verdere aanscherping van de eisen voor de examens? Niet gemiddeld een 5,5 maar een 6? Maar meer gezakten willen we niet. Meer selectiedruk leidt tot meer kansenongelijkheid. Of gaan we goochelen met de N-term?

In de lijn van de huidige onderwijscultuur zou de oplossing moeten zijn: aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen. Zij weten namelijk heel goed wat ertoe doet en wat niet. En gemiddelde eindcijfers doen er niet veel toe. Ze zijn van weinig belang voor vervolgopleidingen. Bij sollicitaties wordt er vrijwel nooit naar gevraagd. Loting op basis van cijfers is afgeschaft, in plaats daarvan zijn er decentrale examens ingesteld die door de verschillende faculteiten zelf worden afgenomen. Daar blokken de leerlingen die medicijnen willen studeren keihard voor – midden in hun examenjaar. Is dat wel zo verstandig? Toen het gemiddelde eindcijfer er nog toe deed bij lotingstudies, deden ze hun best bij het centraal examen hoog te scoren. Afschaffing van loting op basis van cijfers zou wel eens van invloed kunnen zijn op de dalende trend van het gemiddelde eindcijfer voor exacte vakken op het vwo.

Om door te stromen van vmbo naar havo stellen scholen nu nog de eis van een gemiddelde van 6,8. Om kansengelijkheid en dus de mogelijkheid tot doorstromen te bevorderen, worden dergelijk eisen binnenkort wettelijk verboden.

Hierdoor wordt echter onbedoeld weer het signaal versterkt dat gemiddelde eindcijfers er weinig toe doen. Een zesje zegt daardoor weinig over de capaciteiten van veel leerlingen en eigenlijk ook niet over de vraag of het onderwijs goed of slecht is.

Gevaar van alarmisme

Op zichzelf is het uitstekend dat de inspectie ons scherp houdt. Maar er schuilt ook een gevaar in dit soort alarmisme. Het onderliggende kwantitatieve onderzoek is beslist niet eenduidig of zelfs maar inzichtelijk voor beleidsmakers. En de analyse van oorzaken is heel summier en daardoor zijn de aanbevelingen vooral moralistisch van aard. Toon meer ambitie! Werk beter samen! Dit is helaas ook de beleidsreactie van de ministers van Onderwijs. Dergelijke adviezen kosten niets.

Eerder werd toename van kansenongelijkheid geagendeerd, zonder bijvoorbeeld te wijzen op de door de inspectie zelf geëntameerde selectiedruk en perverse werking van ranglijstjes van scholen in de media. Plus het excellentiecircus dat door de overheid werd opgetuigd.

Dit soort onderwijsbeleid heeft vaak een boemerangwerking. Dan schiet de politiek nogal eens van het ene in het andere uiterste. En dus in de eigen voet. Normen voor de examens zijn de afgelopen jaren al aangescherpt. (Bijna) Niemand zit te wachten op een verdere aanscherping. De druk op examens is al zo groot dat er van de weeromstuit door de VO-raad wordt voorgesteld om centrale examens maar af te schaffen. Kortom: alarmisme kan ook een symptoom zijn van het gebrek aan een evenwichtige analyse van onderliggende oorzaken.

Mijn onderwijsraad is dan ook: investeer de komende jaren vooral in de kwaliteit. In de kwaliteit van leraren (het gemiddelde opleidingsniveau daalt en er het lerarentekort neemt fors toe), maar zeker ook in de kwaliteit van de examens en het curriculum. Dat kan door de invloed van de vakverenigingen van leraren te vergroten en niet door het optuigen van een nationaal onderwijs/inspraak-circus zoals bij Onderwijs32 het geval was en eigenlijk ook weer bij curriculum.nu gebeurt.

Alle schoolvakken kennen dergelijke verenigingen die vaak uitstekende voorstellen voor verbeteringen doen. Voeg daar wetenschappelijke adviesraden aan toe. Organiseer die verenigingen beter in de Onderwijscoöperatie, zodat de zorg voor goed en ambitieus onderwijs minder een (media)spel is tussen politiek, besturen, bonden en allerlei adviesorganen en veel meer een zaak van de leraren zelf. Inmiddels zijn hele bussen vol bestuurders naar Finland afgereisd om daar het onderwijswonder te aanschouwen: de leraar die even goed betaald als opgeleid is en met zijn collega’s zelf de zorg het onderwijs draagt – op gepaste afstand van bestuurders, inspectie en politiek.

Voor de politiek geldt: kwaliteit kost geld. Oproepen tot meer ambitie krijgt perverse trekken als degenen die het werk moeten uitvoeren niet over voldoende middelen beschikken. Alsof het helpt om een mank paard in een internationaal concours met de zweep aan te sporen over de hoogste hindernis te springen. Dáár moet de inspectie een stokje voor steken!

Jan Drentje is rector voor een school voor volwassenonderwijs en docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Groningen.