‘Ze denken dat ik de secretaresse ben’

Vooroordelen Ze is 31, vrouw, en de baas van een bedrijf. Lastig, blijkt uit dagelijkse confrontaties. „Mensen stoppen je zo snel in een hokje.”

Kristel Groenenboom: „Mensen denken dat ik het bedrijf gekregen heb, dat het me is aan komen waaien.” Foto Merlijn Doomernik

Stond er wéér een leverancier bij de receptie naar Meneer Kristel te vragen. Het gebeurde zó vaak, dat ze er maar gewoon een boek over besloot te schrijven.

Want Kristel is geen man. Kristel is Kristel Groenenboom, vrouw, nu 31 jaar oud en al acht jaar de baas van een Brabants bedrijf dat containers maakt en jaarlijks een paar miljoen euro omzet. Ze nam het over van haar vader. Haar omgeving is er een van lassers, heftrucks en meer mannen dan vrouwen. Een wereld waarin Groenenboom dus tegen nogal wat vooroordelen aanloopt.

Over die vooroordelen schreef Groenenboom het boek Mag ik Meneer Kristel even spreken, dat afgelopen november verscheen. In haar boek maakt ze korte metten met mensen die vinden dat ze te jong, te vrouwelijk of te belezen is om een bedrijf te leiden.

Groenenboom zegt waar het op staat, tegen mannen én vrouwen. Dit is dus ook géén genuanceerd boek over beleid voor meer vrouwen aan de top. Wel een over haar eigen ervaringen in het bedrijfsleven – die op zichzelf al voldoende laten zien dat dergelijk beleid hard nodig is.

Het streven om een op de drie topfuncties in het bedrijfsleven te laten bekleden door een vrouw, wordt bij lange na niet gehaald. Een paar bedrijven lukte het wel. Hoe bevalt dat?

In haar boek staan een hoop komische anekdotes. Zo schrijft ze over een heftruckverkoper, van het soort dat volgens Groenenboom toch al „het hoogst in de categorie seksistische hufters” scoort. Hij stuurt haar een offerte voor wel erg prijzige heftrucks. Per mail bedankt Groenenboom er daarom vriendelijk voor.

Uit het boek: „Binnen vijf minuten kreeg ik een mail terug (...). ‘Kristel, hierbij een overzicht van de technische details: waarom u voor ons moet kiezen. Dit kunt u niet weten als vrouw. U kunt de technische beslissingen beter overlaten aan uw mannelijke collega’s.”

En ook verzekeringsexperts kunnen er wat van, blijkt uit een andere mail: „Mevrouw, ik zal de technische vragen wel doornemen met uw collega. Dat lijkt me beter.”

„Ongelofelijk”, verzucht Groenenboom op haar kantoor op een bedrijventerrein in Oosterhout. „Mensen stoppen je zo snel in een hokje. Ze nemen gewoon aan dat ik de secretaresse ben.”

Ambitieus en vol zelfvertrouwen

Al trekt Groenenboom zich verrassend weinig aan van wat anderen van haar denken. Na acht jaar directeurschap al helemáál niet meer. Ze is ambitieus, vol zelfvertrouwen en vindt dat veel meer vrouwen dat zouden moeten zijn. Vrouwen hebben onterecht nog weleens „het beeld van zichzelf dat ze het niet kunnen”, zegt ze, of het nu om technische beroepen of leidinggevende functies gaat.

Zelf wist Groenenboom al op jonge leeftijd dat ze het bedrijf van haar vader wilde overnemen. Ze woonde als kind een tijdje op dit bedrijventerrein, boven het kantoor. Ze werd gegrepen door de bedrijvigheid, het lassen, het af- en aanrijden van de heftrucks. „Zien hoe zo’n container gemaakt wordt, dat is heel stoer.”

Dus maakte ze een plan, studeerde ze voor handelsingenieur in Antwerpen en stevende zo gedecideerd op het directeurschap af. Drieëntwintig was ze toen ze de baas werd. Het bedrijf kocht ze van haar vader, benadrukt ze. Want dat is nog zo’n vooroordeel: „Mensen denken dat ik het bedrijf gekregen heb, dat het me is aan komen waaien. Maar ondertussen los ik gewoon elke maand een lening af.”

Op vervelende opmerkingen probeert ze niet altijd meer in te gaan, zegt ze. Al lijkt dat niet echt in haar aard te zitten. Bevalt iets haar niet, dan spreekt ze dat uit, ook in haar boek. Op verjaardagen krijgt Groenenboom van familie aan vaderskant, een tak die veel selfmade-ondernemers telt, bijvoorbeeld regelmatig te horen dat haar studie haar nog geen échte ondernemer maakt. Ze spreekt hen bestraffend toe: „Dus familie Groenenboom, de waarheid is soms hard, maar een diplomaatje heeft echt wel nut en waarde.”

Hoe vonden familieleden en collega’s (het bedrijf telt rond de dertig werknemers) het zichzelf zo terug te lezen? „Ik zeg wat ik vind, zonder een Gordon te zijn [Gordon publiceerde onlangs een veelbesproken biografie, red.]. Namen heb ik in het boek daarom aangepast of weggelaten. Bovendien: ze weten toch al wat ik vind.” Zelf is ze overigens ook niet helemaal van vooroordelen gevrijwaard, geeft ze toe. „Die heeft iedereen”, zegt Groenenboom. Het gaat erom wat je met die generalisaties doet.

Rode Porsche

Groenenboom woont in België, het land waar ze op haar elfde naar toe verhuisde. Ze woont er met haar man en om de week haar stiefdochter, in een huis dat ze zelf liet bouwen. „Dat heb ik gebouwd voordat ik trouwde. Daar heb ik geen man voor nodig.”

Naar kantoor rijdt ze in haar rode Porsche, en zo zijn we bij een kwestie aanbeland waar Groenenboom misschien wel het meest uitgesproken over is: die auto. Want ook wat auto’s betreft valt er duidelijk nog een hoop te emanciperen, vindt ze. In haar boek besteedt ze er een heel hoofdstuk aan.

Zelf rijdt Groenenboom al jaren een Porsche. Een paar weken geleden verruilde ze haar zwarte model voor een rode – welk model dat is, wil ze omwille van haar privacy niet zeggen. „Deze rode valt net iets meer op, maar het is zo saai als je altijd dezelfde kiest.”

Dat er een vrouw uit die dure Porsche stapt, zorgt regelmatig voor vreemde situaties. Niet iedereen gelooft dat het haar eigen auto is. Vragen vrachtwagenchauffeurs haar bij het bezinestation van wie de Porsche is, dan antwoordt Groenenboom inmiddels standaard met een grap. „Hoe ik aan mijn wagen kom? Gewoon van een rijke oude vent gekregen. Van wie had u anders gedacht?”, schrijft ze.

Ook op vrouwen in dikke auto’s rust een taboe, meent Groenenboom. Ze zouden er geen verstand van hebben, minder goed rijden, niet in kunnen parkeren. Niet waar, zegt Groenenboom: „mannen rijden meer en grotere schade.”

Vrouwen laten zich door hun man in veel te kleine auto’s stoppen – zij in een Clio voor de boodschappen, hij in een bolide. Groenenboom noemt het „haantjesgedrag”, „onderdrukking” zelfs. Ze vindt dat vrouwen het niet langer zouden moeten pikken. Al helemaal niet wanneer ze succesvol ondernemer zijn. Want met een „patserbak”, schrijft ze, kun je juist „succes en kredietwaardigheid” uitstralen.

Update (13 april 2018): De studie tot handelsingenieur wordt in Nederland ook wel toegepaste economische wetenschappen genoemd. Dat is ter verduidelijking aan dit stuk toegevoegd.

    • Annemarie Sterk