Vrij zijn is…in hele oude trams rijden

en fotograaf laten zien hoe we uit de sleur breken.

Zoals het een goede 19-jarige jongen betaamt is Twan Klein vannacht tot 1 uur uitgegaan met vrienden, maar vanochtend sprong hij om 8 uur zijn bed alweer uit. Om het grootste gedeelte van zijn vrije zaterdag door te brengen met ouderen, onbetaald. „Bejaarden zijn leuk”, zegt hij. Bovendien: dit zijn niet zomaar bejaarden en Klein is niet zomaar een 19-jarige jongen. Ze delen een interesse voor, zoals hij dat zelf zegt, „rollend materieel”.

Het is de eerste warme lentedag van 2018 en Klein draait vandaag zijn tweede dienst als conducteur in opleiding van stichting RoMeO (Rotterdams Openbaar vervoer Museum en Exploitatie Oldtimers). Tot twee uur ’s middags rijdt hij op en neer tussen het trammuseum aan de Kootsekade en station Rotterdam Centraal, in een tramtoestelletje uit 1948. Klein: „Gewoon maar een stuk ijzer op rails, maar ik vind dat dus prachtig.” Klein mag na elke halte aan een leren koortje trekken naast de ingang, zodat het lichtje voorin de tram op groen springt en de bestuurder weet dat hij weer door kan rijden.

Ja, lacht Klein, zijn klasgenoten weten van zijn hobby en ja, het is een wonder dat hij nooit is gepest

Terwijl de passagiers herinneringen ophalen (daar was ooit een ziekenhuis, daar een margarinefabriek) vertelt Klein over zijn hobby: „Hoe zo’n passie ontstaat weet je natuurlijk nooit zeker, maar waarschijnlijk ontstond die bij mijn oom en tante. Ze woonden in een huis vlakbij het spoor. Je hoorde de treinen van verre al aankomen – kedeng kedeng – en als je op je tenen stond en uit het raam keek dan zag je ze, nét.” Toen Klein groot genoeg was om naar het station te lopen, werd hij treinenspotter. Op zijn negende begon hij een site, www.treinfanaat.jouwweb.nl, waarop hij zijn foto’s van treintoestellen publiceerde. Door de treinen raakte hij geïnteresseerd in andere rollend materieel en zo kwam hij hier.

Klein zit in het examenjaar van het gymnasium. Volgend jaar begint hij met een studie landbouwarchitectuur in Wageningen, maar dit werk zal hij blijven doen. Ja, lacht hij, zijn klasgenoten weten van zijn hobby en ja, het is een wonder dat hij nooit is gepest. Misschien komt het door zijn lange haren en zijn metal-shirts. „Ik sta bekend als ‘die metal-gast’, meer dan als ‘die treinenspotter’.”

Piepend en gillend komt het trammetje dan tot stilstand. „Wissel!”, roepen de passagiers, waarop Klein een fluorescerend hesje aantrekt en de straat oprent met een enorm wisselijzer. De witharige vrouw naast mij kijkt hem na en zegt op samenzweerderig toontje: „Weet je wat jij eens moet proberen? Op rolschaatsen achter de tram aan. Dat deden wij vroeger. Een vaart dat dat maakt!” En met een knipoog: „Alleen wel oppassen voor de conducteur.”

    • Peter de Krom
    • Raoul de Jong