Opinie

    • Ellen Deckwitz

Tegenzwem

Het stomme van sport is dat je wéét dat het goed voor je is, waardoor je geen enkel excuus meer hebt om thuis te blijven. Vanwege een zwakke rug en een nog zwakker hoofd zwem ik drie keer per week, maar de laatste tijd moet ik mezelf echt naar het water slepen. Ik ervaar een tegenzin van het soort dat ik uit mijn kindertijd ken: dat je na een lange dag tafels stampen thuiskomt en de geur van tot een coma gekookte bloemkool je al via de brievenbus tegemoetdampt.

Maandag sjokte ik weer naar het zwembad en eenmaal aanbeland stond er een flinke rij voor de kassa. Terwijl ik me probeerde op te peppen („Zwemmen is een shot valeriaan, fysiotherapie, cardio, watermassage en endorfinelawine voor de prijs van één patat oorlog”) bekeek ik de wachtenden om me heen. De meeste badgasten herkende ik. Sommigen luister ik weleens af als ik achter ze zit in de baan. Mijn lievelings zijn twee oude mannen die vroeger wedstrijden zwommen en die ik met moeite kan bijhouden. Laatst hadden ze het over wat voor gedoe het is, op vakantie gaan. „Ja”, zei de een, „zo’n koffer pakken, wat een gehannes, maar als je er eenmaal in zit, gaat het wel.” Zij keihard lachen, wat overigens geen enkele invloed had op het moordtempo waarmee ze door het water gingen.

De rij slonk vandaag langzaam. De tegenzin dijde in me uit als een olievlek. Plots vloekte de caissière: de kassa was vastgelopen. Meteen ontstond er een beetje rumoer, maar waar je zou verwachten dat er protest zou komen, keken de meesten – onder wie de twee voormalige topzwemmers – opgelucht.

‘O, dus we kunnen niet vandaag?” zei de linker met een grijns. Achter mij hoorde ik een voorzichtig hoera. De caissière sloeg een paar keer op de kassa waardoor hij het weer deed. Er ging een golf van teleurstelling door de rij.

„Echt jammer”, zei een vaste badgast achter me. Er kwam een geroezemoes op gang: dat het voor de meesten toch een moetje was, dat ze zich achteraf heerlijk voelden maar er meestal als een berg tegen opzagen.

Die wetenschap zwom stukken lekkerder. Ik lag in een bad met lotgenoten. Opgelucht plenste ik door het chloor. Nu ik wist dat weinigen het voor hun lol deden, viel het allemaal best mee. De optimist in mij was aangezwengeld. Ik dacht: ik ga vanavond nog een keer.

Uiteraard sloeg ik hierna vier dagen sporten over. Want ik vond het niet meer erg om te gaan.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz