Recensie

Progressieven moeten het nationalisme kapen

Maand van de filosofie

Nationalisme kan voorzien in de behoefte aan gemeenschappelijke waarden. Maar dan moet het wel een nieuwe inhoud krijgen, betoogt Femke Halsema in haar essay voor de Maand van de Filosofie.

Progressief Nederland heeft zich zijn erfenis laten afnemen, schrijft Femke Halsema, ex-leider van Groen Links, in Macht en verbeelding. Essay voor de maand voor de filosofie. In navolging van Merijn Oudenampsen in zijn recente proefschrift The conservative embrace of progressive values stelt Halsema vast dat waarden als vrijheid, gelijkwaardigheid en openheid die in de jaren zestig en zeventig golden als progressief (een begrip dat ze veel vaker gebruikt dan links), zijn gekaapt door Nieuw Rechtse politici als Geert Wilders. Een zekere hypocrisie is hun daarbij niet vreemd, stelt ze vast: ‘Deze waarden lijken niet om zichzelf te worden nagestreefd, maar vooral instrumenteel en met effectbejag ingezet te worden tegen moslims. Daarbij worden progressieve politici geregeld geportretteerd als verraders van die waarden, wanneer zij niet bereid blijken om bijvoorbeeld een algemeen verbod op hoofddoekjes te steunen.’

Het is daarom de hoogste tijd dat progressief Nederland iets terugkaapt waarop Nieuw Rechts tot nu het monopolie heeft: nationalisme. Zeker na 1945 verwerpen progressieven nationalisme, maar dat is niet terecht, zo betoogt Halsema met een beroep op het werk van onder anderen de Amerikaanse filosoof Richard Rorty. Nationalisme is niet per se een reactionair verschijnsel, vindt ze, en kan voorzien in de behoefte aan gemeenschappelijke waarden waarnaar de tot consumenten gereduceerde burgers snakken in het neoliberale tijdperk. De nationale identiteit is namelijk een product van de verbeelding, ‘een constructie in gezamenlijk bewaarde herinneringen’ en nationalisme is daarom ‘verenigbaar met progressieve waarden zoals openheid, tolerantie of kosmopolitisme’.

In wezen is Halsema’s essay niet meer dan een pleidooi om de culturele waarden van ‘progressief Nederland' te verheffen tot nationale waarden. Maar op de vraag hoe dit nieuwe nationalisme zich dan verhoudt tot globalisering, het belangrijkste wereldwijde verschijnsel sinds de val van de Muur in 1989 met de trits openheid, tolerantie en kosmopolitisme als dominante waarden, gaat ze niet in. Ook wijdt ze geen woord aan het mogelijke verband tussen de tweelingfenomenen globalisering-neoliberalisme en onbehagen-nationalisme in veel westerse landen. Integendeel, tegenover het pessimisme van politici als Baudet stelt ze dat Nederland nu welvarender is dan ooit en noemt ze het ‘vreemd’ dat hun onheilsprofetieën zo populair zijn.

Het geruchtmakende Kapitaal in de 21ste eeuw van de Franse econoom Thomas Piketty en vele economische rapporten waaruit blijkt dat de economische ongelijkheid in de westerse landen steeds groter en problematischer wordt, speelt dan ook geen enkele rol in Halsema’s analyse van het Nederlandse onbehagen en de opkomst van Nieuw Rechts. Ze lijkt te zijn vergeten dat behalve spreiding van kennis en macht ook spreiding van inkomen een speerpunt was in het beleid van het roemruchte progressieve kabinet-Den Uyl en dus ook deel uitmaakt van de erfenis van de jaren zestig en zeventig. Zo blijft Macht en verbeelding steken in cultuurfilosofische beschouwingen, die slechts het halve verhaal zijn of nog minder.

    • Bernard Hulsman