Oorlogscorrespondent vertelt over Irak in 300 tweets

Oorlogsjournalistiek op Twitter

Om zijn herinneringen uit 2003 opnieuw te vertellen, gebruikt de Amerikaanse journalist Peter Maass een Twitterdraad. „Het voelt prangend en fris.”

Foto bij tweet nummer 205. Maass' tekst: ,,It was time to cross the bridge. Gary and the other photographers were in the first wave (I stayed back for a bit – I’m not so brave). Kuni Takahashi shot this photo as they crossed over.'' Foto Kuni Takahashi/AP

20 maart. Ik weet niet goed hoe ik mensen eraan moet herinneren, laat staan erom moet laten geven dat het vandaag 15 jaar geleden is dat de Verenigde Staten Irak binnenvielen. Ze begonnen een oorlog die honderdduizenden Irakezen doodde, en miljoenen in vluchtelingen veranderde.

Met deze tweet begint Peter Maass, voormalig oorlogscorrespondent voor The New York Times Magazine, een zogeheten Twitterdraad. Een reeks tweets over hetzelfde onderwerp steeds aangeduid met een volgnummer. Maass deelt in zijn tweets zijn ervaringen, foto’s en dagboekfragmenten van soldaten uit het bataljon waarmee hij in 2003 naar Bagdad reist. De draad van Maass, die nu bij het onderzoeksjournalistieke platform The Intercept werkt, telt inmiddels meer dan driehonderd tweets. En hij is nog niet klaar.

Maass: „Het idee dat niemand iets zou geven om het jubileum van de Irakoorlog vond ik onverdraaglijk. Zeker nu het niet ondenkbaar is dat de Verenigde Staten opnieuw andere landen binnenvallen. Het is stom om mensen te moeten herinneren aan het meest vernietigende aspect van oorlog, de menselijke slachtoffers. Dat zou overduidelijk moeten zijn, maar mensen vergeten mensen het – zeker in dit land. Ik denk niet dat er een land is waar zo vaak oorlog is gevoerd of overwogen. Mijn boodschap is niet ingewikkeld of fijnzinnig. De slachtoffers in een oorlog blijven mensen, al dragen ze het uniform van de tegenstander. Om te doden moet je wel een heel goede reden hebben. Ik denk dat de meeste mensen inmiddels inzien dat de VS dat in 2003 niet hadden.”

Conventionele verhaalvorm als barrière

21 maart. 15) Omdat we slechts een paar uur van de grens van Koeweit verwijderd waren, deed mijn Koeweitse mobiele telefoon het nog. ’s Avonds belde Hertz in Koeweit-Stad me. Ze wilden weten wanneer ik mijn SUV terug zou brengen. Ze herinnerden me eraan dat ik de auto niet mee Irak in mocht nemen.

(Het Twitteraccount van Hertz reageert: of ze Maass ergens mee kunnen helpen?)

„Een verhaal één keer vertellen is niet genoeg. Als individu kun je hooguit een paar mensen de ogen openen. Individuen zijn wel nodig, maar pas met collectieve inspanning lukt het misschien een verschil maken. De ochtend van 19 maart wist ik: weinig mensen gaan een artikel over dit onderwerp openen, laat staan lezen. Een conventionele verhaalvorm is een barrière, vooral bij dit onderwerp waar al zoveel over is geschreven. Twitter is flexibel. Voelt prangend en frisser. Veel van wat ik opschrijf heb ik al eerder in verhalen verwerkt, maar Twitter heeft niet de filters die bij het schrijven voor een journalistiek medium wel bestaan. Andere redacteuren, eindredacteuren, maar ook het idee dat je voor The Times schrijft, beïnvloeden wat en hoe je iets opschrijft.”

Innerlijke strijd

4 april. 166) Oorlog en het verslaan ervan is chaos. Hoeveel van wat je weet, publiceer je? Je hebt veel gezien en veel gehoord – woorden, lijken, verdriet, angst. Je keuzes maak je in suboptimale omstandigheden: mijn werkplaats was mijn SUV, mijn mentale staat bijna uitgeput.

„Ik schrijf over omgekomen mariniers en andere gevoelige zaken. Het zou goed kunnen dat betrokkenen die het lezen daar helemaal niet aan herinnerd willen worden. Dat is een constant conflict als oorlogsverslaggever. Oorlog bestaat niet zonder mensen die erdoor geraakt worden. Daar probeer ik open over te zijn, dat ik wel degelijk een innerlijke strijd voer wanneer ik over de dingen schrijf die pijnlijk zijn. Mijn tweets zijn daardoor journalistiek én persoonlijk.

„Ik schets hoe de oorlog voor mij was. Daarbij wil ik niemand veroordelen of de les lezen. Ik beschrijf: dit is hoe een oorlog eruitziet, dit is wat een bataljon doet. De mannen over wie ik schrijf, ken ik persoonlijk. Zij hebben geen problemen met de manier waarop ik over hun handelen schrijf. Het is hoe het is, vinden ze.”

Laagst op de ladder der heldhaftigheid

6 april. 197) Kolonel McCoy was tevreden: „Lordy”, zei hij tegen me. „Wat een dag. Goede jacht.” De volgende dag zal het bataljon de brug bestormen, de andere kant van Bagdad overnemen en onderweg burgers doden. Ik denk niet dat er betrokkenen zijn die ooit zullen vergeten wat ze gedaan hebben, gezien hebben. Morgen, de hel.

„Vergeleken met soldaten aan de frontlinie hebben wij journalisten het gemakkelijk. We doden niemand, zijn niet verantwoordelijk voor andermans lot, en hoeven ons nooit af te vragen of we wel genoeg hebben gedaan om een leven te redden. We zijn ook geen onschuldige burgers, plots gevangen in oorlogsgebied. Op de ladder der heldhaftigheid staan wij het laagst. Wij kiezen er zelf voor naar een oorlogsgebied te gaan. Ik denk dat we ook beter omgaan met de gevolgen, wat niet wil zeggen dat we niet geraakt worden.

„Telkens als ik er opnieuw over praat of nadenk, voel ik boosheid. Ik was het niet vergeten, maar mijn herinneringen opnieuw oprakelen, is geen pretje. Ik grijp terug naar de vraag: ‘waarom ben ik journalist geworden?’ Omdat ik wil dat mensen de wereld begrijpen. En het begrijpen van de wereld van vijftien jaar geleden is in veel opzichten net zo belangrijk als het begrijpen van de wereld nu.”

De tweet waarmee Maass zijn Twitterdraad startte:

Twitter avatar maassp Peter Maass 1) I’m not sure how to make people remember or care that 15 years ago the United States invaded Iraq, setting off a war that continues to this day, with several hundred thousand Iraqis dead, millions turned into refugees. I covered the invasion for the New York Times Magazine.