Recensie

Gefusilleerd om bijna niets

Mata-Hari In hun voortreffelijke biografie over de Nederlandse spionne concluderen Jessica Voeten en Angela Dekker dat ze niet is doodgeschoten om wat ze had gedaan, maar om wie ze was geweest.

Spionne Mata-Hari in vol ornaat Foto uit besproken boek

‘Ik heb altijd geleefd voor de liefde en het plezier,’ vertelde Gretha Zelle haar Franse ondervragers nadat ze begin 1917 was gearresteerd op verdenking van spionage. Met die liefde had ze heel wat pech gehad, en dat plezier leek ze alleen te hebben gevonden wanneer ze omringd werd door luxe en bewonderaars. Toch was het niet vreemd dat deze vrouw – die als de danseres en socialite Mata-Hari beroemd en berucht was geworden – hartstochtelijk verlangde naar liefde, erkenning en geld.

In 1876 geboren als dochter van een ambitieuze middenstander in Leeuwarden, maakte Gretha als veertienjarige mee hoe het financiële kaartenhuis van haar vader instortte en het gezin uiteenviel, om twee jaar later haar moeder te verliezen. Op zoek naar liefde en bestaanszekerheid trouwde ze op achttienjarige leeftijd met de twintig jaar oudere KNIL-officier Rudolph MacLeod. Deze wordt doorgaans afgeschilderd als een spilzieke zuiplap met losse handjes, maar zelf leek Gretha ook niet de ideale huwelijkspartner. Ook zij had een gat in haar hand, terwijl ze volgens haar man als moeder van twee kinderen ernstig tekort schoot. Nadat in Indië hun zoontje was overleden liep het huwelijk al spoedig definitief op de klippen, na terugkeer in Nederland was de echtscheiding snel een feit, waarbij MacLeod uiteindelijk de zeggenschap over hun dochtertje kreeg.

Trein naar Parijs

Omdat haar ex-man weigerde zijn financiële verplichtingen na te komen was Greta Zelle gedwongen zelf in haar onderhoud te voorzien. Voor een vrouw, zelfs een die verschillende talen vloeiend sprak, viel dat niet mee. Maar tijdens de echtscheidingsprocedure voor de rechtbank verklaarde ze trots: ‘In een ogenblik van wanhoop nam ik de trein naar Parijs, zonder geld, zonder kleren en daar – als laatste redmiddel en dank zij la ‘beauté de la femme’ ben ik geslaagd. Dat ik gemeenschap heb gehad met andere mannen is waar. Dat ik poseer voor beeldhouwers is waar. Dat ik dans in de opéra te Monte Carlo is waar. Het is me te laag en te laf me te verdedigen tegen feiten die ik heb moeten doen, en de Heer McLeod is bij al onze vroegere kennissen zoo veracht, dat ik niet eens me verdedig.’

Dat was in 1906, toen ze al ruim een jaar triomfen vierde als de ‘Javaanse’ danseres Mata-Hari, die met zelfverzonnen dansen en slechts gehuld in sieraden en ragdunne sluiers de Parijse beau monde het hoofd op hol wist te brengen. Wat in feite niet meer was dan een striptease-act, wist zij – niet in dubieuze etablissementen als de Moulin Rouge maar in chique gelegenheden – te presenteren als een serieuze kunstvorm en de visuele expressie van oosterse wijsheid. Volgens journalist en Azië-kenner Henri Borel was haar danskunst ‘kleurloos, lafjes, indifferent’ en ‘imitatie van den derden rang’, maar Mata-Hari werd al snel een beroemdheid die niet alleen lucratieve contracten afsloot, maar ook de gefortuneerde minnaars voor het uitkiezen had.

Haar ambities waren niet gering en ze hoopte dat Gustav Mahler balletmuziek voor haar zou componeren, of dat ze de hoofdrol kreeg in de nieuwste opera van Richard Strauss. Aan de laatste schreef ze: ‘Ik verlang ernaar om “la danse” te creëren en ik wil deze vooral in Parijs uitvoeren waar ik enorm bekend ben en ik de enige ben die de innerlijke roerselen van Salomé zal kunnen dansen.’ Beide componisten bedankten voor de eer, en ondanks zijn aanvankelijke belangstelling ging ook de beroemde impresario Sergej Diaghilev niet met haar in zee.

Scotland Yard

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak was haar carrière al danig in het slop geraakt – het nieuwtje was er af en ze was niet meer de jongste – zodat het haar steeds meer moeite kostte haar extravagante levensstijl te financieren. Wegens haar vele contacten en toegang tot de hoogste kringen leek zij een aantrekkelijke informant voor de Duitse militaire inlichtingendienst. Haar beroemdheid en vrijgevochten levenswijze vormde echter ook haar zwakke punt, want na een tip van Scotland Yard werd zij vanaf de zomer van 1916 intensief geschaduwd door de Franse geheime dienst. Haar spionage-activiteiten stelden naar alle waarschijnlijkheid heel weinig voor, en een halfslachtige poging op te treden als dubbelspion voor de Fransen kon niet verhinderen dat ze begin 1917 werd gearresteerd, om in oktober van dat jaar te worden gefusilleerd.

In hun zeer leesbare en grondig gedocumenteerde biografie, waarin ook de wereld waarin Mata-Hari leefde zeer treffend is geschilderd, concluderen Jessica Voeten en Angela Dekker dat ze niet is doodgeschoten om wat ze had gedaan, maar om wie ze was geweest. De Franse hoofdaanklager heeft later cynisch toegegeven dat haar inlichtingen ‘van bijzonder weinig betekenis’ waren, maar dat het gewoon nodig was een voorbeeld te stellen. En wie was daarvoor beter geschikt dan een vrouw die weliswaar bekend was, maar als allesbehalve ‘respectabel’ gold? Een zelfstandige, eigengereide vrouw die zich niets gelegen liet liggen aan de burgerlijke moraal van die dagen joeg nogal wat mensen angst aan, zodat ze buitengewoon kwetsbaar was.

Zonder haar te verheerlijken kunnen Voeten en Dekker zeker sympathie voor Mata-Hari opbrengen. In een door mannen gedomineerde wereld ging ze haar eigen gang en baande ze nieuwe wegen. Ze gaf blijk van grote moed, maar duidelijk ook van enorme overmoed. Ze dacht namelijk dat ze alles en iedereen naar haar hand kon zetten en leefde uiteindelijk in een soort droomwereld.

Tegen de Franse rechter-commissaris zei ze: ‘Mata Hari en Mme Zelle Mac Leod sont deux femmes toutes différentes. In deze tijd van oorlog, waarin een paspoort is vereist, ben ik verplicht met de naam Zelle te ondertekenen, maar deze vrouw is bij de meeste mensen onbekend. Zelf zie ik mij als Mata Hari. Wat Mata Hari – de danseres – zich kan veroorloven, is aan mevrouw Zelle Mac Leod beslist niet geoorloofd. Wat Mata Hari meemaakt, overkomt niet Madame Zelle. Wie zich richt tot de een, richt zich niet tot de ander. In hun handelswijze en manier van leven kunnen Mata Hari en Madame Zelle niet dezelfde zijn.’ De Franse krijgsraad veroordeelde Mata-Hari, maar het was Greta Zelle die in de vroege ochtend van 15 oktober 1917 in de drooggevallen fortgracht van Vincennes voor het vuurpeloton stond.