Recensie

De foto’s van Seydou Keïta hebben vele levens

Tentoonstelling De portretten die de Malinese fotograaf Seydou Keïta ruim een halve eeuw geleden maakte als persoonlijke souvenirs voor thuis, zijn nu uiterst waardevolle kunstwerken.

Boven: Untitled, 1954. Onder: Untitled, 1952-1955.

Ze zijn natuurlijk helemaal niet gemaakt met de intentie om hier nu in een Amsterdams museum zo glorieus aan de muur te hangen; zo enorm vergroot, zo perfect afgedrukt, met die fraaie houten lijst eromheen. De portretten van de Malinese fotograaf Seydou Keïta waren sowieso niet bedoeld voor een groot publiek – de mensen die in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw in de stoffige straten van Bamako zijn studio binnenstapten, deden dat vooral als aandenken voor zichzelf en hun familie. Ze kregen een afdrukje mee, formaat 13 bij 18 centimeter, dat ze konden opsturen naar hun ouders, hun opa’s en oma’s, of dat ze zelf thuis in een lijstje aan de wand konden hangen.

Seydou Keïta, zonder titel, 1952-1955. Foto’s Seydou Keïta / SKPEAC / courtesy CAAC - The Pigozzi Collection, Geneva

Niemand in het Westen zou van het bestaan van Seydou Keïta gehoord hebben als niet in 1991 een paar van zijn foto’s op een groepstentoonstelling in New York te zien waren geweest – ‘maker onbekend’. Curator André Magnin wist de fotograaf te traceren, en onder Keïta’s supervisie werd een aantal van zijn negatieven vervolgens in Parijs afgedrukt als de moderne, grote prints zoals ze nu te zien zijn in Foam – en zoals ze de afgelopen decennia getoond werden in grote musea, galeries en op festivals over de hele wereld.

Seydou Keïta werd ‘ergens tussen 1921 en 1923’ geboren in Bamako, de levendige hoofdstad van Mali. Vanaf 1948 werkte hij als autodidact in zijn studio, tot hij in 1962 werd aangesteld als staatsfotograaf. Hij zou in die tijd meer dan 10.000 portretten maken. Van heinde en ver kwamen mensen naar zijn studio om zich op hun mooist te laten vastleggen; in een westers pak, stoer leunend op een motorfiets, of in een jurk met het drukke Afrikaanse patroon dat zo prachtig contrasteert met de geometrische vormen van de achtergrond. Alhoewel Keïta zijn negatieven ordelijk bewaarde, zijn er geen namen en data bekend. Maar omdat hij zijn achtergronden van tijd tot tijd wisselde, valt nog wel te achterhalen wat de chronologische volgorde moet zijn geweest. Zo hing hij van 1948 tot 1954 zijn eigen gekreukte laken op als achtergrond, en in het jaar daarna een doek met een patroon van kleine bloemetjes. Het doek met een arabesk patroon, dat zulke sensationele beelden oplevert met die sterk grafische jurken, gebruikte hij in 1956 en 1957.

Seydou Keïta, zonder titel, 1949-1951 Foto’s Seydou Keïta / SKPEAC / courtesy CAAC - The Pigozzi Collection, Geneva

Het interessante is nu dat in Foam – in 2016 werd hetzelfde gedaan in het Grand Palais in Parijs – behalve de moderne afdrukken ook de vintage prints te zien zijn. In een vitrine liggen de gehavende, beduimelde portretjes zoals ze meer dan halve eeuw geleden door Keïta werden meegegeven aan zijn klanten. Je ziet de vlekken waar ooit het plakband heeft gezeten, je ziet de scheuren en de barsten. Sommige van de foto’s zijn ingekleurd; de nagels rood, de sieraden geel, de omslagdoeken groen.

Door de keuze voor zowel vintage foto’s als grote moderne prints wordt onderstreept dat het oeuvre van Keïta verschillende dimensies heeft. We kijken ernaar, meer dan een halve eeuw nadat ze gemaakt zijn, en dat maakt ons ervan bewust hoe foto’s in verschillende omgevingen en tijden totaal anders bekeken én gewaardeerd worden. Zijn beelden hebben meerdere levens, en dat geldt eigenlijk ook voor Keïta zelf. Want voordat hij als een van de belangrijkste hedendaagse Afrikaanse kunstenaars werd gezien, was hij vooral een ambachtsman die met een ongelooflijk gevoel voor compositie en met liefde voor zijn vak zijn landgenoten op een trotse en waardige manier vastlegde.