Recensie

Brokken van de oudheid zwermen nog altijd rond

Week van de klassieken In zijn essays schrijft classicus Diederik Burgersdijk vooral over hoe moeilijk het is om onderscheid te maken tussen de Grieks-Romeinse tradities en gewoontes en de christelijke geschiedenis.

Bij sommige boeken zou je meteen wat tijd cadeau moeten krijgen, zodat je de vele onderwerpen, leessuggesties, interessante kennisgebieden die erin aangestipt worden zelf kunt onderzoeken. Die tijd zou in het geval van de essaybundel De sluipwesp en de leliën van classicus Diederik Burgersdijk royaal bemeten moeten zijn. Want niet alleen moeten brieven, essays en tragedies van Seneca nodig ge- en herlezen worden, ook voelt men dat de geschiedenis van Byzantium staat te trappelen of dat het leven van Constantijn de Grote nog niet genoeg bestudeerd is.

Burgersdijk heeft het er in zijn essays vooral over hoe moeilijk het onderscheid tussen de Grieks-Romeinse tradities en gewoontes en de christelijke geschiedenis soms te maken is – het christendom ‘voerde in zijn woelige stroom grote brokken oudheid mee’, schrijft hij.

Zelf bekent hij zich liever tot de Stoa en Seneca dan tot het christendom en Jezus, zo zet hij in zijn eerste opstel uiteen. Het theologische bouwwerk van het christendom bevalt hem niet zo, sowieso houdt hij niet van ‘geloof’. ‘Een antieke heiden ‘‘geloofde” niet in zijn goden, deze waren er gewoon’, schrijft hij. Wat hem betreft: hoe vager de goden en goddelijke instanties, hoe beter, en hoe concreter en aardser de aanwijzingen, hoe aantrekkelijker de filosofie.

Die houding hindert hem niet om op studieuze en welingevoerde wijze allerlei aspecten van de verwevenheid van de late oudheid met het opkomende christendom vanaf zo’n beetje de vierde eeuw te belichten, met uitstapjes naar eerder en later. Die vierde eeuw is naar zijn overtuiging ‘cruciaal geweest voor de vorming van Europa, en daarmee voor de wereld van vandaag’. Het is ook een buitengewoon kleurrijke eeuw, waarin het christendom weliswaar opkwam, maar er nog volop in de klassieke traditie geschreven en gedicht werd – zo schrijft hij bijvoorbeeld over een poging Genesis te herschrijven in klassieke hexameters, een interessant en curieus geval.

De ondertitel van deze bundel, ‘Geloof en ongeloof in de klassieken’, dekt de lading niet helemaal; het gaat eigenlijk meer om de doorwerking van de klassieke traditie in de christelijke eeuwen erna, tot op de dag van vandaag, al speelt religie daar vanzelfsprekend een grote rol in. Ook de christelijke en heidense symbolen liepen nogal eens dooreen. Zo was een goede herder ook in de heidense traditie een veelbetekenende figuur, en de lelie was zowel het symbool van Hera als van de zuivere maagd Maria – ze vertegenwoordigde in de oudheid erotiek en in het Hooglied de geliefde (en begeerde) bruid. De sluipwesp uit de titel daarentegen is afkomstig van Maarten ’t Hart en symboliseerde juist het tegenovergestelde van een door goden bestierde wereld.

Het titelessay is een van de beste stukken uit het boek, maar soms kan Burgersdijk wat erg droog en opsommerig zijn, zoals in ‘Beelden uit Egypte’. Al is daar dan wel weer het fascinerende gegeven te lezen dat een Nederlandse fotograaf foto’s heeft gemaakt van het gezicht van farao Ramses II, toen men die mummie ontdekte en dat die foto’s in het bezit zijn van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. Daar heb je zoiets: die wil je direct zien.