Te veel activiteiten, te weinig rekenen

De Staat van het Onderwijs Hoe kijken het onderwijs en beleidsmakers naar het kritische rapport van de inspectie dat woensdag verscheen? Een rondgang.

Boomplantdag, truiendag, pannenkoekendag, vogelteldag - voor docent Ben Buitenhuis liever niet: "Ik ben voor één schoolweek zonder dagen, zodat lezen, taal en rekenen even de eerste prioriteit zijn." Foto Robin van Lonkhuijsen/AN

Hoe kan het dat de prestaties van leerlingen al twintig jaar dalen, maar je daar bijna niemand over hoort? Die vraag komt op na publicatie van De Staat van het Onderwijs gisteren, het jaarlijkse rapport van de Inspectie van het Onderwijs. De belangrijkste conclusie: het niveau van het basis- en voortgezet onderwijs gaat geleidelijk achteruit.

Vorig schooljaar verlieten 3.500 kinderen de basisschool laaggeletterd; een toename van 1,4 procent in 2015 tot 2,2 procent vorig jaar. Bij rekenen haalt minder dan de helft van de leerlingen het streefniveau. In vrijwel alle andere landen gaan de prestaties vooruit. Toch is er „geen gevoel van urgentie” in de samenleving, stelt de inspectie – zelfs niet bij scholen.

Lees ook: Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van het onderwijs: ‘In onderwijs mag meer ambitie zijn’

Aanwezigen van het congres waar het rapport aan onderwijsministers Ingrid van Engelshoven (D66) en Arie Slob (ChristenUnie) is uitgereikt, opperen verschillende verklaringen. „Scholen krijgen geld per leerling en worden niet gekort als het niveau daalt”, zegt lerares Charlotte Goulmy. „Hun enige belang is dat ze leerlingen binnenhalen en goed scoren bij de inspectie.” Dat laatste gebeurt, want ondanks de dalende prestaties zijn er minder zwakke scholen in Nederland.

Goulmy is lerares Frans op het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo), waar ze leerlingen ziet die het binnen het reguliere onderwijs niet redden. Dat het niveau daar „een harde duik” heeft genomen, komt volgens haar mede door passend onderwijs. „Je kunt niet tegen docenten zeggen: hier heb je een klas met vier adhd’ers, drie autisten en drie suïcidale kinderen en vergeet niet ook op de toptalenten te letten. Dan weet je dat een leraar de hele dag op eieren rondloopt.”

Vanuit media en politiek komt er bovendien veel op scholen af, zeggen ambulant begeleiders Marieke Wolfsen en Wilma Vermeulen. Wolfsen was tien jaar directeur van een basisschool. „Toen er veel kinderen waren met gebroken armen, werd er gezegd dat we vallessen moesten geven. Dan wordt het wel heel moeilijk je als school op je kerntaken te focussen.”

Docent van groep 5 Ben Buitenhuis verwoordde dat gevoel gisteren treffend op Twitter, door alle activiteiten als ‘truiendag’, ‘pannenkoekendag, ‘vogelteldag’ en ‘boomplantdag’ op te sommen. „Ik ben voor één schoolweek zonder dagen, zodat lezen, taal en rekenen even de eerste prioriteit zijn”, schreef hij.

Vermeulen en Wolfsen hebben ook kritiek op het inspectierapport – net als de VO-raad, de vereniging van middelbare schoolbesturen. Voorzitter Paul Rosenmöller noemde het rapport „eenzijdig en daarmee onterecht”, omdat scholen op een aantal punten (zoals stapelen van diploma’s) juist goed scoren. Ook Vermeulen vindt dat het rapport onvoldoende laat zien dat „de algemene kwaliteit van het onderwijs nog steeds heel goed is”. Scholen zijn juist hard bezig zichzelf te verbeteren, ziet ze.

Rekenen

Onderwijsadviseur bij de CED Groep Diana Gerritsen, gespecialiseerd in rekenen, ziet nog een andere oorzaak van de dalende prestaties: dat er op de pabo’s minder contacturen zijn voor rekenen. Soms wordt een leraar voorbijgestreefd door leerlingen, zegt ze. En als een leraar een laag zelfbeeld heeft over een bepaald vak, heeft dat weerslag op de les. „Er zijn leraren die onderbouw gaan doen omdat ze denken dat ze dan minder hoeven te rekenen. Maar ze realiseren zich niet dat groep 2, 4 en 6 voor rekenen de belangrijkste jaren zijn.” Ondanks de dalende prestaties in rekenen vragen scholen niet meer hulp. „Ze weten niet welke hulpvraag ze moeten stellen.”

Waarom ontbreekt het „gevoel van urgentie”? Het ministerie schenkt vooral aandacht aan zaken als het lerarenregister en het nieuwe curriculum, zegt onderwijsadviseur en auteur Marcel Schmeier. „Daar bestrijd je de kansenongelijkheid niet mee. Dat doe je wel door rekenen en taal centraal te stellen, en gedegen uitleg, met veel herhaling.” Ouders verwachten op hun beurt dat een school ook ‘leuke dingen’ doet met de leerlingen. „Ze gaan er vanuit dat het met de basisvakken wel goed zit.”

De politiek heeft zich te lang bemoeid met de verkeerde dingen, vindt Paul van Meenen, Tweede Kamerlid voor regeringspartij D66 en voormalig docent. „Te veel met hoe docenten moeten lesgeven, terwijl ze dat zelf veel beter weten. En de prioriteit is te veel bij de toetsing gelegd.”

Volgens socioloog Herman van de Werfhorst (Universiteit van Amsterdam), gespecialiseerd in kansengelijkheid, laat het rapport van de inspectie zien dat „je in het onderwijs niet voor een dubbeltje op de eerste rang kunt zitten. Er wordt telkens vastgesteld dat het heel goed gaat, ondanks dat we minder investeren dan andere landen. Daar moeten we van terugkomen. We moeten echt meer investeren. Leesvaardigheid is ontzettend belangrijk. Volgens het Centraal Planbureau kost het miljarden als we in internationale vergelijkingen een beetje slechter presteren.”

Correctie (12-04-18): In een eerdere versie van dit artikel werd de onderwijsadviseur bij de CED Groep Diane Gerritsen genoemd. Dit moet Diana zijn.

    • Mirjam Remie
    • Maarten Huygen