Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Stukkie eraf

We zaten in gezinsverband bij de kapper. Op een rijtje, zo diep waren zelfs mijn ouders nooit gezonken. Ik was ervoor uit huis gebeld, zo van: „Kom ook, ze hebben verder toch niets te doen.” Zat ik dan in mijn groene joggingbroek, in de stoelen naast me de rest.

De kapsters zagen er hetzelfde uit, allemaal met hetzelfde kapsel dat zich het best liet omschrijven als ‘kort en pittig’.

Ik: „Haha, zijn jullie gekloond of zo?”

Op die opmerking werd niet gereageerd.

De oudste (2) was inmiddels ook zo, de krulletjes waren er vakkundig uitgeknipt.

In het hoofd van de jongste (1) zat een koekje.

Op het hoofd van de vriendin was een spitse toren van handdoeken gebouwd.

De kapster die mij onder handen ging nemen vroeg: „Heeft de papa in de tuin gewerkt?”

De papa had nog nooit in de tuin gewerkt.

„Dan heeft-ie de auto gewassen.”

„Nee, hoor”, zei de vriendin.

Ik zei dat ik nog nooit een auto had gewassen.

De kapster: „Die van mij wel, die doet niet anders. Gelukkig wel.”

Daarna tegen mij: „Wat zal het wezen? Stukkie eraf?”

Dat waren dan ook meteen alle smaken, bij mannen was het altijd een stukkie eraf, behalve als ze kalend waren: dan ging standaard de tondeuse erover.

De vriendin: „Ja, stukkie eraf. Lekker fris.” De kapster: „Stukkie eraf! Maar eerst wassen!” Ze drukte mijn hoofd achterwaarts in een bak lauw water. Ze masseerde mijn hoofdhuid harder als ze sprak. Ze kwam uit hetzelfde buurtje in Krommenie waar de vriendin was opgegroeid. Ingewikkeld topografisch gesprek over wie waar had gewoond of was gaan wonen.

De vriendin: „O, bij de viskraam.”

De kapster: „Nee, links-rechts-links, tegenover de kerk.”

De vriendin: „O daar! Wij gingen daar altijd stoepranden.”

„Stukje eraf toch?” zei ik, want ik zat nog steeds met mijn hoofd onder water.

Ik werd omhooggetrokken, waarna ze mijn hoofd hardhandig droogwreef met een grijze handdoek. Ze had een trouwjurk gepast; haar man was schilder, altijd genoeg werk ondanks concurrentie uit Polen en Volendam.

Ik hoorde mezelf vragen of ze liever dames of heren knipte.

Antwoord: „Dit is een dorp, dat maakt niet zo veel uit.”

Ik: „Stukkie eraf is stukkie eraf.”

Daarna viel er een stilte.

Bij het weggaan zei ik dat ik dat ik met mijn nieuwe kapsel in de tuin ging werken. Stukkie van de heg knippen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen