‘In onderwijs mag meer ambitie zijn’

Monique Vogelzang inspecteur-generaal van het onderwijs

De onderwijsinspectie slaat alarm. Nederland is echt zijn internationale toppositie aan het kwijtraken.

Terwijl de prestaties van leerlingen in vrijwel alle andere landen verbeteren, zijn Nederlandse leerlingen de afgelopen twintig jaar geleidelijkaan slechter gaan presteren Istock

Als je nu een foto zou maken van het onderwijs, zegt inspecteur-generaal van het onderwijs Monique Vogelzang, dan zie je dat Nederland het best goed doet. Gediplomeerden vinden snel een baan. Leerlingen ronden hun schoolloopbaan goed af. En internationaal gezien staan we in de subtop.

Maar maak je een film, zoals haar Inspectie van het Onderwijs jaarlijks probeert in De Staat van het Onderwijs, dan is het beeld minder rooskleurig. Geleidelijk is Nederland zijn internationale toppositie kwijtgeraakt. Prestaties in basis- en middelbaar onderwijs dalen. En voor het eerst in jaren neemt het aandeel 30- tot 35-jarigen met diploma niet toe.

„Als dit zo doorgaat, komt de kwaliteit van het onderwijs in het gedrang”, waarschuwt Vogelzang. „En als we internationaal een rol willen blijven spelen, moeten we mensen goed opleiden.”

De vier belangrijkste conclusies.

  1. Dalende prestaties

    Terwijl de prestaties van leerlingen in vrijwel alle andere landen verbeteren, zijn Nederlandse leerlingen de afgelopen twintig jaar geleidelijk aan slechter gaan presteren: in cognitieve vakken als taal en rekenen, in vakken als kunst en bewegingsonderwijs. „Het probleem zit voor 70 procent bij de hoogste presteerders”, zegt Vogelzang. „Daar gaat de daling het hardst.”

    Hoe komt dat? Vogelzang ziet dat scholen het lastig vinden te kiezen op welke onderwerpen ze zich focussen. Ze doen alles een beetje, waardoor ze nergens heel goed in zijn. Maar het heeft ook met ambitie te maken, denkt ze. „Met wíllen. Laatst hoorde ik een schoolbestuurder zeggen: als we hebben afgesproken dat een 5,5 genoeg is, wie ben ik dan om een leerling op te leggen een 8 te halen? Dan denk ik: het doel zou toch moeten zijn om het maximale uit iedere leerling te halen.”

    Voor rekenen en taal zijn streefniveaus afgesproken, maar een groot deel van de basisschoolleerlingen komt niet verder dan het basisniveau. Scholen werken naar het minimum toe en dan stoppen ze, zegt Vogelzang. „De hoogst presterende leerlingen hebben daar het meest last van. Er mag toch wel meer ambitie zijn.”

    Dat geldt niet voor alle scholen – er zijn grote verschillen. Sommige scholen met een ‘moeilijke’ leerlingenpopulatie doen het heel goed, terwijl scholen met een ‘makkelijke’ populatie (vooral leerlingen met academisch geschoolde ouders) juist slecht presteren. „Dus met randvoorwaarden heeft het niets te maken”, zegt Vogelzang. „Je ziet bij scholen die het goed doen dat de samenwerking tussen docenten, schoolleider en bestuur goed is. Er is een verbetercultuur, en iedereen weet waar men voor wil gaan.”

  2. Lees ook ons dossier over de staat van reken- en taalonderwijs
  3. Segregatie neemt toe

    De segregatie neemt toe en de aard verschuift: niet meer etnisch, maar op opleidingsniveau en inkomen. „Segregatie heb je natuurlijk altijd, zeker in het basisonderwijs, omdat de buurt dan een belangrijke rol speelt bij schoolkeuze”, zegt Vogelzang. „Maar die woonsegregatie wordt versterkt doordat academisch geschoolde ouders zich steeds meer los organiseren van andere groepen in de samenleving. Ze kiezen voor technasia, tweetalig onderwijs of private scholen.” De inspectie vreest dat segregatie en kansenongelijkheid elkaar op den duur versterken. „We zien nu al dat scholen met een uitdagende populatie moeilijker personeel kunnen vinden dan andere scholen.”

    Kansenongelijkheid in het onderwijs, twee jaar terug door de inspectie aangekaart, bestaat nog steeds. Al zijn er „lichtpuntjes”. Zo sluiten adviezen in het basisonderwijs nu iets beter aan op de uitslag van de eindtoets en worden vaker meervoudige adviezen - zoals vmbo-t/havo – gegeven, zodat leerlingen kunnen eindigen op het hoogste niveau.

    Maar Leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond komen nog altijd vooral op het vmbo terecht en minder op het vwo. „We hadden verwacht dat er in de vier grote steden inmiddels meer menging was geweest”, zegt Vogelzang. „Vaste denkpatronen zijn nog niet doorbroken.”

  4. Jongens raken achterop

    Tussen de schoolloopbanen van jongens en meisjes bestaan grote verschillen. Jongens blijven vaker zitten in het voortgezet onderwijs en stromen vaker ‘af’ naar een lager niveau. „Ze zijn een kwetsbare groep”, zegt Vogelzang, „vooral de jongens met een migratieachtergrond.”

    Ze kiezen ook anders: vaker voor een technisch profiel of sector op het vmbo, terwijl meisjes kiezen voor cultuur of zorg. „We leiden jongens en meisjes volgens heel vaste patronen naar een bepaalde plek in de arbeidsmarkt”, zegt Vogelzang. „Dan moeten we niet verbaasd zijn dat er alleen meisjes voor de klas staan.”

    Dat de verschillen tussen jongens en meisjes op sommige scholen helemaal niet bestaan, bewijst volgens haar dat die patronen doorbroken kunnen worden.

  5. Rol scholen onduidelijk

    De prestaties dalen, er is kansenongelijkheid, de segregatie neemt toe. Eigenlijk, concludeert de inspectie, vervult het onderwijs zijn maatschappelijke opdracht niet goed. Volgens Vogelzang komt dat omdat de politiek niet helder formuleert wat van het onderwijs verwacht wordt. „Dan raakt het stelsel uit balans. Dat gaat ervan uit dat de politiek kaders stelt die de besturen autonoom mogen invullen. Maar nu is het einddoel vaak niet helder, waardoor ze zelf interpreteren wat bedoeld is.”

    Besturen kiezen op hun beurt te vaak voor hun eigen belang in plaats van dat van de samenleving, zegt Vogelzang. „Ze concurreren met elkaar, terwijl je zaken als krimp of kansenongelijkheid niet alleen kunt oplossen. Onderwijs is een publieke taak – geen markt.”

    • Mirjam Remie