Recensie

‘Er zijn twee Tweede Wereldoorlogen’

Nicolaas Veul programmamaker

Eigenlijk zijn er twee Tweede Wereldoorlogen, concludeert Nicolaas Veul. „De echte en de mythische. En die twee gaan steeds verder uit elkaar liggen.” Hij onderzocht de verschillen in zijn nieuwe documentaireserie Nicolaas op oorlogspad.

Nicolaas Veul, links in het midden het V-teken makend, tussen re-enacters van een WO2-veldslag in Normandië. Foto VPRO

Toen tv-maker Nicolaas Veul (34) een jaar of acht was speelde hij dagenlang Wolfenstein 3D. In dat computerspel kruip je in de huid van B. J. Blazkowicz, een Pools-Amerikaanse spion van joodse afkomst die het moet opnemen tegen SS-officieren en de Gestapo, Goebbels, Göring, en uiteindelijk tegen Hitler zelf. „Ja, lekker nazi’s knallen”, zegt Veul nu, met een licht beschroomde glimlach. Later kwamen daar nog de games Call of Duty en Battlefield bij.

Af en toe hoorde hij zijn opa wel iets vertellen over die echte oorlog van vroeger, en hoe erg dat allemaal was geweest. „En met 4 mei was ik ook wel even twee minuten stil, hoor”, zegt Veul. „Maar daarna ging ik gewoon weer gamen.”

Precies dat verschil tussen hem en zijn opa, tussen de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt en de generatie die hem alleen kent uit films en videogames, onderzoekt Veul in de nieuwe VPRO-serie Nicolaas op oorlogspad. „Eigenlijk zijn er twee Tweede Wereldoorlogen”, zegt Veul. „De echte en de mythische. En die twee gaan steeds verder uit elkaar liggen.”

Slag in Normandië naspelen

Dat de geschiedenis en het beeld ervan steeds meer van elkaar gaan verschillen, merkt Veul bijvoorbeeld in de eerste aflevering, als hij met war re-enactors een slag bij Normandië naspeelt. De ‘soldaten’ gaan totaal op in hun rol: ze dragen precies de juiste kleren, slapen in ongemakkelijke oude bussen die tijdens de oorlog daadwerkelijk werden ingezet en lijken zich daadwerkelijk zorgen te maken over ‘de Duitsers’ aan de overkant. Maar het mooiste aan het naspelen, zeggen de deelnemers na afloop, is de vriendschap die eraan overhoudt. „Door dat afzien met elkaar, ontwikkel je echt een kameraadschap.”

Daarna gaat Veul op bezoek bij meneer Moerman. Hij is 101 jaar oud, een van de laatste nog levende Nederlandse soldaten die tegen de Duitsers heeft gevochten. Hij heeft de namen van zijn gesneuvelde kameraden nog altijd in een lijstje aan de muur. Jullie waren zeker goede vrienden geworden aan het front, zegt Veul. „Want zo’n oorloog smeedt toch hele diepe banden tussen mensen?” Nee hoor, zegt Moerman. „Je bent geconcentreerd op je eigen levensbehoud. Dan ga je niet even gezellig een onderonsje zitten houden.”

In de tweede aflevering loopt Veul mee met twee jongens die hun geld verdienen met het verkopen van allerlei nazi-parafernalia. SS-helmen, Wehrmacht-uniformen, riemen met hakenkruizen erop. „Vind je het niet raar dat jij geld verdient met iets waar anderen aanstoot aan nemen?”, vraagt Veul een van hen. Zijn antwoord: „Er zijn ergere dingen om geld mee te verdienen.”

In diezelfde aflevering gaat Veul langs bij het Instituut voor Oorlogsstudies (NIOD). Daar krijgt hij een briefje uit een Duitse gevangenis in handen, van een jongeman genaamd Wim aan zijn moeder. Hij schreef haar dat net had gehoord dat hij morgenochtend gefusilleerd wordt. Veul leest voor, zichtbaar aangedaan: „Hou jullie allen goed, alle liefs, ik hoor van jullie, en tot kijk. Heel veel kusjes.”

Veul: „Toen besefte ik hoe naïef ik ben geweest. Als je Call of Duty zit te spelen, denk je niet aan die arme Wim.” En ja, als hij zo’n briefje vasthoudt, voelt hij wel wroeging. „Dát is de echte oorlog. En die is heel anders dan die in films of videogames.” Maar, voegt hij toe, hij wil ook weer niet zeggen dat die oorlogsgames, of nazi-zombies in een spookhuis, er niet mogen zijn. „Het moet niet te moralistisch worden. Humor is ook een manier om zo’n oorlog te verwerken. Call of Duty en het NIOD kunnen wat mij betreft goed naast elkaar bestaan.”

Trauma’s

Het meest indrukwekkende dat hij in zijn onderzoek voor deze serie is tegengekomen, vond Veul het Sinai-centrum in Amstelveen, dat hij in de laatste aflevering bezoekt. „Daar zit een stuk of dertig mensen van mijn leeftijd, die een trauma hebben overgehouden aan de Tweede Wereldoorlog. Zonder hem te hebben meegemaakt, dus.” Het leed van hun familie drukt zo zwaar op deze jongeren, dat ze zich er zelf verantwoordelijk en schuldig over zijn gaan voelen. „Zij bouwden als klein kind concentratiekampen met lego. Ze schamen zich voor hun joods-zijn, kunnen nauwelijks praten over wat hun familie is overkomen.”

Daar zie je de lange arm van de geschiedenis, zegt Veul: terwijl sommige Nederlandse jongeren vrolijk nazi-grapjes maken, hebben anderen nog dagelijks last van wat er tussen 1940 en 1945 gebeurd is.

Toch wil Veul in zijn serie niet met de vinger wijzen en zeggen dat het slecht is om de oorlog te romantiseren of belachelijk te maken. Hij hoopt vooral meer bewustwording te creëren bij jonge mensen. „Natuurlijk kan je leuke games spelen en mooie films kijken over de Tweede Wereldoorlog. Maar je moet ook niet de echte pijn en het echte verdriet vergeten dat die teweeg heeft gebracht.”

Over games gesproken, binnenkort komt de nieuwe Battlefield uit: naar verluidt de grote Tweede Wereldoorlog-editie. Gaat Veul die weer kopen? Hij lacht even ongemakkelijk. „Ja, toch wel”, zegt hij dan. “Zo’n shooter speelt heel lekker, maar ik zie nu wel hoezeer het een platgeslagen versie is van de echte oorlog. Eigenlijk is het een vreemde luxe zo’n game te kunnen spelen.”

    • Doortje Smithuijsen