Zeldzame en rugvinloze bruinvis in Chinese rivier blijkt aparte diersoort

Genetica

Een genetische analyse laat zien hoe bruinvissen zich aan een leven in zoetwater hebben aangepast.

Indische bruinvissen zijn zo’n twee meter lang, hebben een bol voorhoofd en géén rugvin. Foto Jiamin Wu

De Indische bruinvis die in de Chinese Jangtsekiang-rivier leeft begint een aparte diersoort te worden. Dat schrijven Chinese, Australische en Amerikaanse wetenschappers deze week in Nature Communications. Tot nu toe dachten biologen dat deze bruinvissen een ondersoort waren van bruinvissen die in het zeewater leven.

Er leven nog ongeveer 1.000 Indische bruinvissen in de rivier die door China stroomt. Het zijn walvisachtigen, zo’n twee meter lang, met een bol voorhoofd en zonder rugvin. Hun aantal neemt steeds verder af, en het lijkt hoog tijd om deze dieren tegen uitsterven te beschermen.

De Jangtsekiang is met 6.380 kilometer de derde langste rivier ter wereld, na de Amazone in Zuid-Amerika en de Nijl in Afrika. Indische bruinvissen leven tot 1.600 km landinwaarts en in twee meren die aan de rivier gelegen zijn.

Behalve in de rivier leven er ook Indische bruinvissen in ondiepe Aziatische kustwateren, vanaf de Perzische Golf en India tot China en Japan. De algemene soortnaam voor deze bruinvissen in zee is Neophocaena phocaenoides.

Met deze voormalige soortgenoten hebben de dieren in de Jangtsekiang zich al tienduizenden jaren niet meer voortgeplant, zagen de onderzoekers. Er zijn genoeg erfelijke verschillen om van een aparte soort te spreken. De onderzoekers stellen voor om de oude naam voor de rivierbruinvis, Neophocaena asiaeorientalis, te herstellen.

De genetici analyseerden het erfelijk materiaal van 49 Jangtsekiang bruinvissen die in de jaren 1979 tot 2009 op stranden zijn aangespoeld of per ongeluk in visnetten zijn gevangen. Hun lichamen zijn nog steeds geconserveerd in diepvriezers aan Nanjing Normal universiteit in China. De wetenschappers vergeleken de DNA-sequentie van deze dieren met die van Indische bruinvissen die in de Aziatische kustwateren leven.

Foto Jiamin Wu

Geïsoleerd

„Onze analyse toont aan dat de bruinvissen al duizenden jaren geen genen meer hebben uitgewisseld”, schrijven de wetenschappers. Uit hun berekeningen blijkt dat zich de Jangtsekiang-bruinvissen 5.000 tot 100.000 jaar geleden hebben afgesplitst van de zeewatersoort. Volgens de onderzoekers trokken hun voorouders vanuit de zee de rivier op en raakten geïsoleerd van hun soortgenoten, vermoedelijk door een daling van het zeeniveau waardoor misschien een landbrug tussen zee en rivier ontstond. Toen begonnen de dieren zich aan het leven in het zoetwater aan te passen.

De wetenschappers vonden verschillen tussen de zoet- en zoutwaterbruinvissen in specifieke genen. Die genen spelen vooral een rol bij de nierfunctie en de bloedsomloop: de genen coderen bijvoorbeeld eiwitten die belangrijk zijn voor het transport van ureum (het eindproduct van de eiwitstofwisseling). Ze reguleren ook hoeveel natrium, dus zout, die nieren opnemen en uitscheiden. Zoogdieren in rivieren zijn genoodzaakt zout te behouden terwijl zeewaterdieren er overvloed aan hebben.

Dieren in de Jangtsekiang hebben veel last van watervervuiling door aan de rivier gelegen steden en industriegebieden. Het water uit de rivier is inmiddels niet meer drinkbaar. De constructie van de Drieklovendam, de grootste stuwdam ter wereld, verstoorde de natuurlijke stroom en leidde tot landverschuivingen. Bovendien vermindert overbevissing het voedselaanbod voor de bruinvis.

In de Jangtsekiang leefde onlangs nog een andere soort walvisachtige, de Chinese vlagdolfijn (Lipotes vexillifer). Wetenschappers vermoeden dat deze dieren zijn uitgestorven: sinds 2002 werd er geen dolfijn meer gezien. De wetenschappers hopen dat hun genetische analyse nieuwe pogingen prikkelt om het natuurgebied van de Jangtsekiang rivier te beschermen.