Nora Fischer

Foto Andreas Terlaak

Nora Fischer: ‘Luisteren mag. Het hoeft niet’

Interview

Deze week verschijnt het debuutalbum van sopraan Nora Fischer (30). Op Deutsche Grammmophon, een gerenommeerd ‘klassiek’ label. Maar ‘HUSH’ is meer dan klassiek, net als Fischer zelf. „Ze moeten niet denken dat ik een Maria Callas ben.”

Zwarte krullen, fonkelende ogen, een niet te stuiten beweeglijkheid. Nora Fischer is iemand die opvalt zonder er iets voor te doen. Dus dat daar een stem bij hoort die grenzen opzoekt, dat klopt gewoon. Deze week verschijnt Fischers debuut-album HUSH, gewijd aan uitgebeende bewerkingen van barokliederen.

„De bedoeling is zoveel mogelijk mensen te laten horen hoe tijdloos mooi die liedjes van vier eeuwen oud zijn”, zegt ze. „Wie niet gewend is aan klassieke muziek, knapt soms af op de klassieke manier van zingen. Te hoog, te gestileerd. Zo stuurde ik gitarist Marnix Dorrestein, met wie ik HUSH heb gemaakt, ooit opnames van Cecilia Bartoli of Philippe Jaroussky. De muziek vond hij prachtig, maar de uitvoeringsstijl lastig te begrijpen; hij had het gevoel dat die gestileerde zangstijl zijn waardering van de muziek dwarsboomde. Daarop zijn we gaan kijken wat er gebeurt als je die muziek omzet naar de taal van nu.”

Maar HUSH verschijnt wel op het chique klassieke cd-label Deutsche Grammophon. Is dat handig? Ben je niet bang voor kritiek uit die hoek?

„Er zullen vast oudemuziekfans zijn die HUSH vreselijk vinden, heiligschennis. Dat kan ik begrijpen. Maar wat wij maken is op geen manier bedoeld als iets wat ‘beter’ is dan het origineel: het is alleen maar een alternatieve versie. Luisteren mag. Het hoeft niet.”

Je moeder is barokmusicus. Wat vond zij ervan?

„Zij vond het gelukkig te gek, maar wat ik doe, is in zekere zin ook een verlengstuk van wat zij vindt. Mijn moeder heeft altijd moeite gehad met de nadruk die de authentieke beweging legt op wetenschap en regelgeving. Zij doet onderzoek naar componisten uit de tijd van Monteverdi, en hoe zij zijn beïnvloed door volksmuziek. We vinden elkaar in het idee dat muziek gebaat is bij vrijheid.”

Maar wat is nu jullie droomscenario voor ‘HUSH’? Een barokhit op 3FM?

„De droom was vooral dit album te kunnen maken. En vervolgens willen we het voor een zo gevarieerd mogelijk publiek gaan spelen. We hebben ook al op popfestivals gespeeld, en dat werkte heel goed. Eigenlijk zou je willen dat het wordt gedraaid op 3FM én Radio 4. Hoe meer zielen, hoe leuker.”

Je noemt jezelf nog steeds een ‘klassiek zangeres’. Dat etiket had ik niet meer durven kiezen.

„Ik weet wel dat ik bekendsta als ‘die onorthodoxe zangeres’, maar ik ben klassiek begonnen en ik voer nog steeds muziek van anderen uit om daar vervolgens mijn interpretatie aan te geven. In die zin ben ik een klassiek zangeres. Maar een grote jurk of een grote stem – die heb ik niet. ”

Maar als De Nationale Opera je vraagt voor een rol, wat dan?

„Ik heb nooit interesse gehad in opera. Verdi, Puccini, die grote emoties, dat eenvormige harde zingen, het ongeloofwaardige acteren – nee, ik vind het allemaal too much. Ik houd meer van het subtiele.”

Maar dan vroegen ze je natuurlijk voor een barokopera, of voor een Mozart-rol. Op jouw manier.

„Hmm! Dan zou het van de productie afhangen. En ik weet ook niet of ik het zou kunnen, zo zonder versterking boven een orkest uitzingen. Daar ben ik in elk geval niet in getraind. Ze moeten niet denken dat ik een Maria Callas ben.”

De aard van je stem – liep je daar ook op vast op het conservatorium?

„Nee, dat ging vooral om wat ik wilde doen met mijn stem. Dan zong ik een lied van Debussy en vond dat een bepaald woord zacht en klein moest klinken, of met valse lucht. Maar die benadering mag niet bij klassiek zingen, want daar is alles gericht op een volle klank. Dat werd een worsteling.

„Inmiddels volg ik gewoon altijd mijn eigen gevoel, en zing ik zoals ik het zelf goed vind. Dat is dan onorthodox, maar daardoor kan ik veel meer nuance aanbrengen in de liederen die ik zing – ook in puur klassieke recitals.”

Je begon als 15-jarige bij het Nationaal Jeugdkoor. Dat is heel goed, onversneden klassiek en on-Nederlands gedisciplineerd. Paste dat wél bij je, nota bene in je puberteit?

„In dat koor heb ik zeven bepalende jaren doorgebracht, ik zou er uren over kunnen praten. Het was streng, maar ik vond het vooral geweldig, al was ik inderdaad een puber met een neuspiercing (lacht).

„Maar de moeilijkste ritmes en noten zo van blad zingen – dat heb ik allemaal dáár geleerd. Voor de dirigent Wilma ten Wolde was ik denk ik vooral een wervelwind. Extreem leergierig én extreem eigenwijs. Stilstaan, een voortdurende voorwaarde bij alle concerten en repetities, kon ik totaal niet. En toch had ik voor het eerst het gevoel dat ik ergens echt mezelf kon zijn en kon doen wat ik wilde doen.”

Heb je dat eigenwijze van je vader, dirigent Iván Fischer?

„Zeker: nooit zomaar klakkeloos iets doen, altijd vraagtekens zetten. Je eigen weg gaan.”

Hoe Hongaars voel je je eigenlijk met die dubbele achtergrond? Of misschien liever: Nederlands?

„Oh, een dubbele nationaliteit hebben is sowieso een ramp! Hongaars voel ik me maar een beetje, ook voor mijn vader is zijn joodse identiteit veel belangrijker dan zijn Hongaarse. Dat zit hem dan vooral in het intellectuele, in al die boekenkasten vol Schiller en Goethe en het heilig ontzag voor Grote Denkers dat in die kringen een vanzelfsprekendheid was en is. Het lastige voor mij van opgroeien in dat geestelijk klimaat was dat ik meer een gevoelsmens ben, en dat ik me daardoor soms een beetje minderwaardig voelde, ondanks mijn studies. Maar ik heb simpelweg niet de behoefte alles te onderbouwen, ik handel uit intuïtie. Maar dat heb ik niet zomaar kunnen aanvaarden.”

Tijdens concerten kom je ook ongekunsteld over – ook door alles wat je vertelt over de muziek die je uitvoert. Het Parool schreef: „Het is ontwapenend, maar wordt het concertritueel er niet ál te zeer door gerelativeerd?”

„Haha, ja, om die recensie moest ik wel lachen. Ik heb op Facebook nog om reacties gevraagd, maar niemand reageerde.

„Ik vind het zelf gewoon heel onnatuurlijk om zonder uitleg mijn programma te zingen – alsof er geen mensen in de zaal zitten en ik zelf alleen maar een stem ben! Mijn vader fluisterde me vroeger als we naar concerten gingen ook altijd toelichtende zinnetjes in. Dat vond ik fijn, dat gaf me houvast. Voor mij is het simpel: zowel wij musici als het publiek zitten daar om samen een mooie avond te beleven. Dat gaat voor mij beter wanneer ik echt contact maak.”

Deze herfst had je veel succes met de liedcyclus The Secret Diary of Nora Plain, over privacy. Wat een zwaar thema voor iemand van 30.

„Ja hè, er viel wel bar weinig te lachen. Maar ik wilde dat onderwerp graag onderzoeken, mijn filosofiescriptie ging er al over hoe we in een soort orwelliaanse Brave New World leven. Wat doet dat met je als je overal bekeken wordt?”

Zeg jij het maar. Als zangeres moet je je immers voortdurend ‘presenteren’.

„Ja, maar dat is een bewuste keuze, terwijl ik juist als privépersoon ook het gevoel heb alsof er altijd een derde oog met me meereist. Dat meekijkt – bij alles. Dat maakt dat ik me ongemakkelijk voel als ik zomaar een raar dansje doe voor de spiegel. Dat besef vind ik eng. Of heftig is een beter woord. Het doet iets met je onbevangenheid. En ik wil het kind in mij nou juist niet verliezen.”

Wie zanger wordt, geniet toch juist van de spotlights?

„Ik heb ervoor gekozen op het podium staan, dat is zo, maar onzekerheid speelt daar net zo goed. Soms voelt het net alsof ik me vrijwillig voor de leeuwen werp, hoor. En toch weet ik wel heel zeker dat ik een performer ben. Ik ga echt ‘aan’ tijdens concerten, terwijl ik repeteren moeilijk vind, omdat er dan geen wisselwerking is met een publiek. Er moeten mensen zitten, er moet energie zijn – pas dan voel ik wat een stuk wil en kan ik daarop reageren. Dat is mijn kracht: abstracte noten op papier transformeren tot iets wat communiceert, wat leeft.”

Je bent 30. Waar sta je als je 40 bent?

„Zo denk ik helemaal niet! Dat deed ik vroeger wel, maar toen ontdekte ik dat je dan steeds weer bezig bent met de volgende stap en dus altijd ontevreden blijft, en er bovendien ook niet succesvoller van wordt. Dus nee, in plaats van lang vooruit plannen ben ik gewoon druk met komend seizoen. Louis Andriessen is een stuk voor me aan het componeren, dat bij de Los Angeles Philharmonic in première gaat en daarna nog door allerlei andere orkesten wordt gespeeld. En ik ga een groot project doen met het Silkroad Ensemble van cellist Yo-Yo Ma. En dan nog een tweede cd en een grote tournee met HUSH en… Er gaan ontzettend veel deuren open, juist nu ik níét plan.”

HUSH verschijnt op 13/4, concert + presentatie op 18/4 in Paradiso, Amsterdam. Inl: norafischer.com