Opinie

Een burgemeester is er ook voor keiharde misdaadbestrijding

De tentakels van criminelen reiken tot in de bovenwereld. Juist daarom moeten burgemeesters het voortouw nemen in de bestrijding van georganiseerde misdaad, betogen . De blik van justitie is volgens hen te nauw.

Burgemeester Antoin Scholten (l) onderweg naar een persconferentie over schietpartij. Foto ANP / Robin van Lonkhuijsen

Onze collega Wil Houben, burgemeester van de gemeente Voerendaal, werd onlangs met een vuurwapen bedreigd terwijl hij naar zijn werk reed. Dit voorval bracht Bernt Schneiders, oud-burgemeester van Haarlem en oud-voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, tot het opiniestuk Haal de burgemeester uit de vuurlinie. “De strijd tegen criminelen is het domein van het OM”, schreef hij. “Officieren staan betrekkelijk anoniem in zwarte toga in de rechtszaal terwijl burgemeesters in het telefoonboek staan.” Hij gruwelt van het idee dat burgemeesters tot “lokale sheriffs” uitgroeien.

Wij zijn het volstrekt oneens met zijn visie, om de volgende redenen.

1. De (strafrechtelijke) strijd tegen (individuele) criminelen is nog altijd het domein van het Openbaar Ministerie. Logisch. Maar het terugdringen van de criminele industrie met haar tentakels in de bovenwereld vraagt om een integraal opererende overheid. Zoals we inmiddels in Brabant en Zeeland hebben ervaren, staat en valt een slagvaardige aanpak met samen optrekken; een aanpak met een slimme mix aan interventies: strafrechtelijk, fiscaal én bestuurlijk. Het is een illusie te denken dat enkel het strafrecht uitkomst gaat bieden.

In wezen lijkt Schneiders dit ook te onderschrijven met zijn pleidooi dat de pakkans gering is en dat het voor het OM lastig is sluitend bewijs te vergaren. Maar zelfs dan: de drugs- en prostitutie-industrie (als voorbeeld) draaien geroutineerd door. Lokaal worden woningen (drugslabs) en andere voorzieningen (Fort Oranje) misbruikt, her en der voetbalclubs gebruikt om geld wit te wassen en ‘aanzien’ te verwerven (‘als je wint maak je vrienden’) en in buitengebieden krijgt de boer ‘an offer he can’t refuse’. En dat eist gewoonweg de toepassing van bestuurlijke maatregelen (zoals locaties sluiten, de integriteitswet Bibob toepassen) en alle inzet om die voetbalclubs en boeren die door dreiging geen weerstand durfden bieden of er simpelweg door de wolf in schaapskleren zijn ‘ingetuind’, uit het moeras te helpen. Dat vraagt om regie, het voortouw door degene die het geheel het beste overziet vanwege zijn brede taakveld en verantwoordelijkheid. Niet in de laatste plaats ook omdat de Politiewet de burgemeester die rol ook toebedeelt!

2. Verschrikkelijk, dat verhaal van Wil Houben. En het staat niet op zichzelf. Maar juist daarom kent de aanpak van ondermijning bewust vele boegbeelden. Niemand gaat alleen voorop. Vanuit bestuur, politie, Openbaar Ministerie én Belastingdienst samen één lijn trekken. En samen, ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid, thuis geven. Een terugtrekkende beweging vanuit de burgemeesters zou afbreuk doen aan deze strategie. Winst is evenwel nog te behalen in het vaker zichtbaar in gezamenlijkheid naar buiten treden; officier van justitie en politiechef zij aan zij met de burgemeester. Het verkleint de kwetsbaarheid voor alle overheidsactoren die een rol spelen in de aanpak. Het alternatief is de angst laten regeren en de rode loper voor de criminele industrie uitrollen.

3. Weerbaarheid betreft echter niet alleen de burgemeester, maar ook de gemeentelijke organisatie. Hoe kun je er ‘echt’ voor de burger zijn als je al je gemeentelijke kennis niet bij elkaar mag leggen om kwaadwillenden de pas af te snijden. De goedwillende burger ziet het en snapt niet dat er niks gebeurt. Maar weet niet dat de gemeente alleen met ‘de handen op de rug gebonden’ mag handhaven. Zo mag de gemeente bijvoorbeeld niet actief informatie uit verschillende ‘hoeken’ van de organisatie met betrekking tot locaties of adressen bij elkaar leggen: het signaal van een medewerker van de BRP (afdeling ‘adresregistratie’) dat op een bepaald adres wel heel regelmatig nieuwe personen worden in- en uitgeschreven (woonplaatsfraude?), het signaal van een gemeentelijk handhaver dat het adres gebruikt wordt voor andere doeleinden dan in het bestemmingsplan staat (mensenhandel?), het signaal dat de hoofdbewoner op dat adres bij verschillende diensten van de gemeente subsidie heeft aangevraagd en inmiddels ook een aanvraag heeft lopen voor een persoonsgebonden budget voor mensen in het betreffende pand op dat adres (subsidiefraude?).

De kans dat je bij een instap in zo’n geval in Brabant en Zeeland een drugslab en hennepkwekerij of cash geld aantreft is overigens aanzienlijk, het zijn multimisdaadondernemers. Slechts met grote alertheid en vasthoudendheid van individuele medewerkers en – soms – meldingen van burgers kunnen sommige van dit soort puzzels gelegd worden. Maar hoe vaak blijft het ‘onontdekt’?

Zo faciliteer je bijna dat criminele ondernemers bouwen aan een imperium! Maar het is ook ondermijnend voor de rechtsstaat op een ander manier: de burger die dit soort misstanden waarneemt deelt ‘mentale gele kaarten’ uit aan de overheid, want waarom ‘doen ze zo lang niks?’. Hoe kan dan van burgers worden verwacht dat zij actiever missstanden melden als de gemeente uit wat zij weet niet actief de kwaaie pieren kan selecteren? Onze oproep aan politiek Den Haag is om dit nu snel en goed in de Gemeentewet te regelen. Je maintiendrai vergt vernieuwende wetgeving!