Recensie

Dirigente Gražinyté-Tyla laat orkest hoogromantisch smachten, zonder sentimenteel zwelgen

Sinds de Litouwse Mirga Gražinyté-Tyla als eerste vrouw het chefschap van het City of Birmingham Symphony Orchestra vervult, regent het superlatieven in de Britse muziekpers. Maandag maakte ze haar Nederlandse debuut.

Dirigent Mirga Gražinyté-Tyla: lome handgebaren en een soms een kordaat zwiepende arm. Foto Juri Hiensch

Het vaste dirigentschap bij een groot orkest scoort nog altijd hoog op de lijstjes met typische mannenberoepen. Het weerhield de Litouwse Mirga Gražinyté-Tyla (31 jaar) er niet van om in september 2016 het chefschap van het City of Birmingham Symphony Orchestra (CBSO) over te nemen van Andris Nelsons. Met succes: in de Britse muziekpers regent het sindsdien superlatieven en ook bij ons woedt inmiddels een bescheiden Mirga-mania.

De lat lag dus hoog in TivoliVredenburg waar Gražinyté-Tyla maandag haar Nederlandse debuut maakte in een veelzijdig allround-programma. Met haar karakteristieke, bijna choreografische dirigeerstijl liet ze in het ‘Vorspiel’ uit Wagners Tristan und Isolde horen hoe je een orkest hoogromantisch laat smachten, zonder te vervallen in een sentimenteel zwelgen.

Lome handgebaren en een soms een kordaat zwiepende arm vertaalden zich in een omfloerste strijkersklank. Mooi detail: de subtiel opgerekte melodie op het moment van de eerste volle orkestinzet. Op de maat van aanvurende kniebuigingen wonnen de lange crescendo’s aan stuwkracht door vrijmoedige versnellingen, terwijl de orkestklank transparant bleef door een mooie balans tussen lage en hoge registers.

Dat Gražinyté-Tyla affiniteit heeft met Debussy, bewees ze tijdens haar allereerste concert met het CBSO. Stelde ze destijds haar huidige baan veilig met de Prélude à l’après-midi d’un faune, in Utrecht verscheen La mer op de lessenaar.

Gražinyté-Tyla schilderde de maritieme vergezichten met een lichte, dynamische toets. Getuige de snel genomen inleiding van het eerste deel en de krachtige, maar toch helder gedoseerde climaxen in de finale. Opspattende harptonen en duidelijk uitgelichte draaikolkjes in strijkers en fluiten benadrukten het scherzokarakter van het middendeel, Jeux de vagues.

Beethovens Vijfde symfonie kende een onstuimiger aanpak. Nog voor het applaus goed en wel was uitgeklonken en de partituur op de juiste pagina lag, zette de Birminghamse maestra pardoes in. Van de weeromstuit holden de eerste maten wat op zichzelf vooruit. Felle aanzetten, scherpe accenten en ultrakorte fermates maakten dat het eerste deel in alle daadkracht wat amechtig klonk.

Het tweede deel maakte veel goed met mooie contrasten tussen het lyrische hoofdthema en de tussengelegen in koper geharnaste passages. Indrukwekkend was ook de overgang van het Scherzo naar de Finale.

In Fires (2010) laat de Litouwse componiste Raminta Šerkšnyté (1975) onderhuids smeulende klankvelden met een luide klap overgaan in een hoog energetische ketelmuziek. Hoewel kundig geïnstrumenteerd, blijkt zelfs onder leiding van Gražinyté-Tyla het wha-wha-wha van een trombone niet onbeperkt recyclebaar.

    • Joep Christenhusz