‘Die Damien Hirst komt nog wel’

Museum Geert Steinmeijer, directeur van Hartman Tuinmeubelen, opent dit weekeinde zijn eigen museum: No Hero. „Ik besloot dat ik mijn ritme moest aanpassen om dingen te kunnen doen die ik echt leuk vind.”

Geert Steinmeijer op het landgoed De Twickel in Delden, waar zijn museum No Hero de deuren opent. Foto Willem van Walderveen

Vlakbij de vijver met daarin een bronzen Mao-vest van de Chinese kunstenaar Sui Jianguo staat Geert Steinmeijer stil en kijkt over de lange tuin naar de voormalige rentmeesterswoning op Landgoed Twickel in Delden, Overijssel. Daarin huist zijn eigen museum No Hero, dat zondag voor publiek opengaat. Een paar weken eerder heeft hij zijn vrouw en twee dochters zijn museum laten zien, vertelt de 63-jarige directeur van Hartman Tuinmeubelen. In de afgelopen jaren hebben ze hem regelmatig gevraagd „waar dat museum nou voor nodig was”. En na die rondleiding? ‘Geert we zijn trots op je’, hadden ze gezegd. „Dat was voor mij een hele mooie dag.”

Ruim drie jaar is de 63-jarige Steinmeijer bezig geweest met dit museum, waarin hij zijn in ruim dertig jaar verzamelde kunstcollectie kan tonen. Het idee kreeg hij in 2012. „Mijn herijkingsjaar”, zoals hij het noemt. Hij kreeg een zware hartaanval, 5 bypassoperaties waren nodig. „En ook zakelijk zat het even niet mee. Ik besloot dat ik mijn ritme moest aanpassen om dingen te kunnen doen die ik echt leuk vind.”

Begin 2016 kwam Steinmeijer – die zijn vermogen opbouwde door slechtlopende bedrijven te kopen, op te knappen en weer te verkopen – voor het eerst als grote verzamelaar uit de kast met een tentoonstelling in Rijksmuseum Twenthe. Daarin liet hij al zien dat zijn kunstcollectie net zo divers was als de bedrijven die hij ooit in eigendom heeft gehad: Van Italiaanse oude meesters tot een grote Damien Hirst.

Toen al had hij plannen voor een eigen museum en zocht hij naar een geschikte locatie in Twente. Hij belandde in Delden bij het voormalige rentmeestershuis van Stichting Twickel, dat in 1838 in bezit kwam van de toenmalige eigenaar van Landgoed Twickel. Met de stichting die het Landgoed beheert sloot Steinmeijer een huurovereenkomst en een samenwerkingsverband voor het museum.

Geen thema, geen stroming

Met zijn museum past Steinmeijer in een stroom van vermogende ondernemers die in het tweede decennium van deze eeuw hun eigen museum openen. Zijn museum heeft niet één stroming zoals Hans Melchers met het magisch realisme in Vorden en Ruurlo, niet één tijdvak zoals Joop van Caldenborgh met hedendaagse kunst in Wassenaar, en ook niet één thema zoals kunst rond voedsel in het museum dat de supermarkteigenaren Van den Broek dit jaar nog in Lisse zullen openen.

Steinmeijer koopt wat hem aanspreekt. Zo kocht hij in de afgelopen decennia kunst uit allerlei periodes, uit allerlei windstreken, in verschillende zalen. En dat zie je in het museum terug waar je net zo makkelijk een zaal vindt met zeezichten uit de Haagse School van onder meer Mesdag gekoppeld aan Franse pre-impressionistische landschappen van bijvoorbeeld Monets leermeester Charles-François Daubigny als twee zalen met politiek getinte Chinese kunst uit de periode 1995-2005. Geert Steinmeijer verwacht zo’n 10.000 tot 15.000 bezoekers per jaar.

Op de benedenverdieping loopt de bezoeker direct aan tegen de grote felgekleurde werken van de jonge Neue Wilden uit Berlijn van de jaren tachtig. „Ik heb sinds ik in mijn studententijd er een paar weken doorbracht veel meer met Berlijn dan met Londen of Parijs.” En dus heeft hij de tentoonstelling in de eerste zalen ‘Ich bin ein Berliner’ gedoopt.

Van de Neue Wilden houdt hij het meest van de werken die ze maakten voor de val van de Muur, toen de stad rauwer was. „Maar ook vrijer, alles kon. Travestie en homoseksualiteit werden er veel meer geaccepteerd dan elders”, zegt hij bij De Kus van Rainer Fetting waarin twee mannen elkaar hartstochtelijk zoenen.

Toch heeft hij uit de periode na de val van de Muur ook werken gekocht van dezelfde schilders als Luciano Castelli Salomé en Elvira Bach, die na de hereniging van oost en west vaak een vrolijker karakter hebben. Van Fetting hangt een zelfportret als de Spaanse schilder Velázquez in het trapgat. „Recent gekocht van Vicky Leandros, de winnares van het Eurovisie Songfestival. Komt uit een serie waarin hij zich als beroemde schilder afbeeldt.”

Spanje

Op de bovenverdieping heeft hij de vaste collectie gehangen. Zoals zijn verzameling Vlaamse Primitieven, met onder meer werken uit de omgeving van Rogier van der Weyden, waarbij hij kunstobjecten als kruisbeelden uit dezelfde periode uit Spanje heeft geplaatst. „We vergeten onze verbondenheid met Spanje uit die tijd nog wel eens. Maar in ons volkslied zingen we toch nog steeds dat we de Koning van Hispanje altijd geëerd hebben.”

Van die klassieke kunst wandel je dan weer de zalen in die hij Living Colors heeft gedoopt, waar werken te zien zijn als een fel Cobra-achtig schilderij van Ger Lataster („Die raakt ten onrechte vergeten, zo zie je maar hoe snel het met roem kan gaan”), een Günther Förg en een werk van Frank Stella dat ook al prominent in Rijksmuseum Twenthe hing. Maar zijn grote Damien Hirst, die hij daar ook liet zien, hangt hier niet. „ Komt nog wel”, zegt Steinmeijer. „We gaan die vaste collectie steeds wisselen. Van mijn 650 werken hangen er hier nu 125.”

Steinmeijer heeft zelf de zalen ingericht en daarbij hedendaagse kunst gemengd met klassieke Franse en Italiaanse meubelen, 18de- en 19de-eeuwse Franse en Italiaanse sculpturen en Chinees porselein. Directeur Gemma Boon heeft hem zijn gang laten gaan. „Ze heeft vooral gezegd dat het soms beter was iets weg te laten. Net als mijn vrouw, die ook veel heeft geadviseerd. De zalen zijn daardoor rustiger geworden. Ik wil toch te veel laten zien.”

Steinmeijer blijft stilstaan bij een zwart-witschilderij van Max Neumann. Een silhouette van een man in het zwart, met allemaal insecten om zich heen. „Dit portret beeldt de psychologie van de man uit. Zijn eenzaamheid, de energie die soms nergens heen kan, de twijfel of hij niet iets verkeerds aan het doen is.”

Ziet hij het als een portret van zichzelf? Steinmeijer valt even stil: „Laten we nou niet gaan psychologiseren.” Hij wijst op Printemps, een Frans 19de-eeuws wit romantisch borstbeeld van een vrouw met bloemen in het haar. „Ik vond het mooi om deze twee hoofden een dialoog met elkaar aan te laten gaan. Zij lijkt gelukkig, maar misschien was zij van binnen wel ongelukkiger dan die man van Neumann.”