Opinie

Orbán hoort niet bij christen-democraten in Europarlement

Tevoren was al te verwachten dat de Hongaarse premier Viktor Orbán de parlementsverkiezingen, afgelopen zondag, zou winnen. Dat hij bij een opkomst van 70 procent, vijftig procent van de stemmen zou halen, wat hem een driekwart parlementaire meerderheid geeft, kwam ook voor zijn Fideszpartij als een verrassing. Maar feit is: Orbán kan zonder coalitiepartner doorregeren.

In zijn twee eerste regeertermijnen heeft hij zijn land omgebouwd tot een van de minst liberale democratieën van de Europese Unie. En daar is hij trots op. Hij heeft het parlementaire kiesstelsel zo aangepast dat zijn eigen partij –ook eerder al – een driekwart meerderheid verwierf, wat grondswetswijzigingen mogelijk maakte. Officieel was het motief daarvoor het uitdrijven van de oude communisten. In zijn eenpartijstaat heeft Orbán inmiddels echter ook de rechterlijke macht en de media aan banden gelegd.

Nu zit Orbán op de lijn dat alleen hij zijn land, en eigenlijk heel Europa, kan verdedigen tegen een imaginaire islamitische invasie. Met name tijdens de vluchtelingencrisis in 2015 kreeg hij meer profiel door zich af te zetten tegen de welkomstpolitiek van de Duitse bondskanselier Angela Merkel (CDU). In plaats van vluchtelingen welkom te heten, plaatste Orban een muur aan de grens. En toen de EU besloot om over te gaan tot een manier om de vluchtelingen over de lidstaten te verdelen, deed Hongarije daar ostentatief niet aan mee.

Door de uitslag van zondag heeft Orbáns in de rest van Europa veelal met argusogen bekeken regering een brede legitimatie gekregen om op de ingeslagen weg voort te gaan. En dat is iets om over na te denken. Want in de Unie is binnenlandse politiek altijd ook Europese politiek.

Hongarije neemt, net als bijvoorbeeld Polen, afstand van de liberaal-democratische waarden van de EU. Orbán is voor „niet-liberale democratie”. Maar ontvangt, ook weer net als Polen, wel graag de Europese subsidies vanuit Brussel. Daar wordt dan ook gezocht naar middelen om dat geld als hefboom te gebruiken om deze lidstaten rechtstatelijk in de pas te laten lopen.

Michael Ignatieff, inmiddels rector van het Amerikaanse Central European College in Boedapest, waarschuwt tegenover de New York Times voor het succes in Oostelijk Europa van het Orbanistische model-autocratische eenpartijstaat. Hij acht de instituties in het westen gezond genoeg om weerstand te bieden aan het dit soort ontwrichtende krachten. Maar hij meent dat de EU wel eens uiteen zo kunnen vallen vanwege die onderliggende spanningen tussen West- en Oost-Europa. En dat is niet denkbeeldig.

Aan de andere kant: politiek is niet voor bange mensen. En de Unie kan zich niet laten gijzelen door de sterkemannenpolitiek à la Orbán. Behalve de juridische en financiële machtsmiddelen die de Europese Commissie kan hanteren om eenheid te bewerkstelligen, is er de politieke lijn. In de Europese Raad, waar actie geboden is van regeringsleiders als Angela Merkel en de Nederlandse premier Mark Rutte (VVD). Maar ook in het Europees Parlement. Daar maakt Orbáns Fideszpartij deel uit van de fractie van de Europese Volkspartij (EVP). Met het naderen van de verkiezingen voor het Europees Parlement komt het moment dichterbij dat Merkels CDU en bijvoorbeeld het CDA van Sybrand Buma de eigen geloofwaardigheid serieus moeten nemen. De vraag is of Fidesz past in die EVP-fractie. Al was het maar om het verschil duidelijk te maken aan de kiezer.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.