Opinie

    • Frits Abrahams

„Mag ik u iets vragen?”

Bij de ingang van de supermarkt stond ik te schuilen voor een fikse regenbui, terwijl een kleine, bejaarde vrouw haar fiets tegen de gevel zette en met enkele boodschappentassen naar de winkel liep. Toen ze binnen was, werd ze meteen aangeklampt door een zwartharige vrouw die mij niet eerder was opgevallen.

Ze was in de dertig, ging gekleed in een zwarte broek en een zwart jasje en droeg het haar in een gevlochten paardenstaart. Haar voeten staken in goudkleurige sneakers, alsof ze toch nog enige opgewektheid in haar uiterlijk had willen verwerken. „Mag ik u iets vragen?” vroeg ze.

De bejaarde vrouw keek haar verbaasd aan, ze moest de regendruppels nog uit haar grijze haardos schudden.

„Heeft u misschien wat geld voor mij?”

De bejaarde vrouw zette haar tassen op de grond en vroeg: „Waar heeft u dat voor nodig?”

„Ik ben dakloos.”

„Maar u kunt toch nog wel ergens een slaapplek vinden?”

„Ik heb bij vrienden geslapen, maar overdag moet ik ook eten en daarvoor heb ik geld nodig.”

„Hebben uw vrienden u dan niet te eten gegeven?” vroeg de bejaarde vrouw. Haar toon bleef vriendelijk, maar er klonk toch enig wantrouwen in door.

„Nee.”

„Bent u Nederlandse?”

„Ja, ik woon al heel lang in Amsterdam.”

„Kunt u hier dan geen uitkering krijgen?”

„Dat ga ik morgen proberen”, zei de zwartharige vrouw.

Nu pas viel me op hoe ingevallen haar wangen waren en hoezeer de jukbeenderen daardoor dit gezicht domineerden. Bovendien vervormde een slecht gebit haar spraak, waardoor ze soms moeilijk verstaanbaar was.

„Sorry, dat klinkt me te gemakkelijk, hier begin ik niet aan”, zei de bejaarde vrouw – en ze liep vastbesloten de winkel in, op zoek naar een boodschappenkarretje. De zwartharige vrouw liet nu even haar blik op mij rusten, maar vermoedde kennelijk weinig kapitaalkracht en zocht steun tegen een muur. Ik zag dat het nog steeds regende en wachtte gelaten af.

Een kwartiertje later zag ik de bejaarde vrouw terugkomen. Ze rekende af bij de kassa en liep met haar gevulde tassen naar de vrouw tegen de muur. „Ik heb voor u wat croissants gekocht voor het geval u honger heeft”, zei ze. Ze sprak zo neutraal mogelijk, alsof ze bang was dat ze zou klinken als een overbezorgde weldoener.

„Heeft u niets anders”, zei de zwartharige vrouw terwijl ze een tas van de vrouw greep en openrukte.

„Dat moet u nou niet doen”, zei de bejaarde vrouw geschrokken en ze trok de tas weer naar zich toe. „U kunt de croissants krijgen.”

De zwartharige vrouw haalde haar schouders op en verliet haastig de winkel. De andere vrouw keek haar ontsteld na. Toen wendde ze zich naar mij. „Ik kan haar toch geen geld voor drank of drugs geven?” zei ze, meer tegen zichzelf dan tegen mij, „of ben ik nou te flauw?”

„U heeft gedaan wat u kon”, zei ik.

„Die man bij Albert Heijn geef ik altijd met plezier geld”, zei ze, „hij is geen junk, hij is alleen illegaal.”

Ze pakte haar boodschappentassen op en liep naar haar fiets. Het regende niet meer – een constatering waarmee ik niets symbolisch bedoel.

    • Frits Abrahams