Opinie

    • Menno Tamminga

Laat het gasgeld maar gewoon in Groningen

De ‘gexit’ – het einde van de de reguliere gasproductie in Groningen – komt eraan. Tijd om toch nog een aardgasbatenfond te beginnen?

Het kan nog steeds. Maar de tijd dringt nu wel. Het kabinet wil in 2030 stoppen met de reguliere gasproductie in Groningen. Het einde van een tijdperk, hopelijk het begin van het einde van de ellende voor Groningers. Maar ook de laatste kans om de gasbaten een bestendige, praktische bestemming te geven in plaats van het geld op te tellen bij de overheidsinkomsten en het te gebruiken voor de staatsuitgaven. Maar ja, politici blijken hardleers. De verleiding van ‘gratis’ gas en ‘gratis’ geld was altijd te sterk. Gratis werkt verslavend.

Nederland had, toen het gas in de jaren zestig begon te stromen, de kans om de opbrengsten in een apart fonds te steken. Dat zou revolutionair zijn geweest. Een aardgasbatenfonds. Een spaarpot voor slechte tijden, bijvoorbeeld. Voor de zeven magere jaren na de zeven vette.

Een aardgasbatenfonds was toen even een serieuze optie. Het is er niet gekomen. Reden 1: aardgas was geen blijvertje, dacht men. Snel opmaken. De toekomst heette kernenergie. Dat was schoon en veilig.

Reden 2: minister van Financiën Jelle Zijlstra (1959-1963; ARP, een partij die later opging in het CDA) voelde er niks voor. Geen aparte potjes op de rijksbegroting. Hij wilde vanuit het ministerie van Financiën overzicht houden en de teugels bij bezuinigingen strak in handen nemen, indien nodig. Dan was het hinderlijk als er naast de begroting aparte ‘potjes’ met geld waren die ministers konden gebruiken om bezuinigingen te omzeilen.

Lees ook hoe Kees Boon in 1959 het Groningse gas aanboorde en wat er daarna gebeurde

Jammer. Andere landen met bodemschatten, zoals Noorwegen en de Arabische oliestaten, maar ook Alaska, kozen later wel voor zulke spaarfondsen. De Algemene Rekenkamer heeft becijferd dat er 350 miljard euro (per 1 januari 2014) in zo’n fonds had gezeten als Nederland de Noorse methode had gevolgd, namelijk door de opbrengsten wereldwijd te beleggen. Nu zou dat tegen de 450 miljard euro zijn.

Nederland heeft tussen de kabinetten-Lubbers III (1993) en -Rutte I (2010) wel een deel van de aardgasopbrengsten in een fonds gestoken. Dat moest investeringen doen om de economie toekomstbestendiger te maken. Vandaar de naam: Fonds voor Economische Structuurversterking, kortweg FES. Het idee was dat politici in tijden van bezuinigingen investeringen als eerste schrappen, omdat ze liever salarissen van ambtenaren, sociale uitkeringen en zorguitgaven in stand houden. Investeringen schrappen kost geen kiezers, salarissen verlagen wel. Investeringen schrappen kost op langere termijn natuurlijk wel economische groei. Vandaar dat FES.

Rap werden twee dingen duidelijk: het FES betaalde investeringen die eerst op de rijksbegroting stonden, zodat dáár extra ruimte kwam voor consumptieve uitgaven. En het FES was eenzijdig: een asfalt- en railfonds (hogesnelheidslijn).

Het kabinet-Rutte III zwijgt vooralsnog over de financiële gevolgen van het gaseinde, de gexit. Een beetje kortzichtig. Dus, als meer dan een rekenvoorbeeld: vanaf nu stopt Nederland alle aardgasbaten in een fonds. De opbrengsten zijn door de productieverlagingen een aflopende zaak, maar ze kunnen tot 2030 in totaal nog wel 18 miljard euro worden. De helft wordt gereserveerd voor schadevergoedingen. De andere helft gaat in een spaarpot à la het Noorse oliefonds. Dat kan aangroeien tot 10 miljard euro. Dat fonds kan voordelige leningen verstrekken aan (nieuwe) bedrijven in het Noorden. Of bevingsbestendige bouw financieren. Of ‘n keertje dividend uitkeren aan de lokale gemeenschap.

Resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst en ze bieden in de aardgaspolitiek weinig hoop, maar toch… Het kan nog steeds.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.
    • Menno Tamminga