Hoge opkomst op Hongaarse platteland bezorgde Orbán winst

Parlementsverkiezingen

De conservatieve Fidesz-partij van premier Orbán krijgt ruim mandaat voor een derde termijn. „We hebben ons in staat gesteld Hongarije te verdedigen.”

Aanhangers van de Fidesz-partij juichen zondagavond in Boedapest hun leider, premier Orbán, toe na diens ruime verkiezingszege. Foto Attila Kisbenedek

De nationaal-conservatieve Hongaarse premier Viktor Orbán behaalde zondagavond een verpletterend verkiezingsresultaat. 49 procent van de kiezers stemde op zijn Fidesz-partij. Dat is goed voor 134 van de 199 zetels in het Hongaarse parlement: een tweederde meerderheid, net als in 2010 en 2014.

„Een overtuigende zege”, noemde Orbán (54) het zondagavond in zijn overwinningsrede. Maar maandag leverde een waarnemersmissie van de intergouvernementele Organisatie voor Vrede en Samenwerking in Europa (OVSE) scherpe kritiek op zijn regering. De verkiezingen verliepen technisch correct, zei OVSE-teamleider Douglas Wake op een persconferentie in Boedapest, maar „werden gekenmerkt door een grondige overlap tussen de middelen van de staat en de regeringspartij.”

Fidesz gebruikte de afgelopen jaren haar politieke dominantie om zowel grondwet als kieswet te herschrijven en greep te krijgen op het staatsbestel, de economie en de media. De vervlechting van partij en regering uitte zich tijdens de campagne in overvloedige overheidsadvertenties, betaald met belastinggeld, die inwisselbaar leken met Fidesz-propaganda. Volgens Wake beknotte dit de eerlijke concurrentie tussen partijen. En, voegde hij toe: „intimiderende en xenofobe retoriek, vooringenomenheid van de media en troebele campagne-financiering beperkten de ruimte voor echt politiek debat.”

Orbán voerde de voorbije jaren een economisch beleid dat de middenklasse en bejaarde Hongaren gunstig stemde, maar richtte zich in de campagne bijna uitsluitend op afkeer van migratie. Nadat hij in 2015 een grensmuur had opgetrokken, waarschuwde Orbán onophoudelijk voor een invasie van islamitische migranten indien de oppositie aan de macht zou komen. Die boodschap werd overgenomen door de publieke omroep en talrijke commerciële media die de afgelopen jaren in handen vielen van regeringsgezinde zakenlui.

De oppositie richtte zich op beschuldigingen van wijd verbreide corruptie in de entourage van de premier. In Boedapest trokken linkse en liberale kiezers in groten getale naar de stembus, maar op het platteland bleek Fidesz oppermachtig bij een hoge opkomst van bijna 70 percent.

De grootste oppositiepartij, het extreem-rechtse Jobbik, bleef steken op 26 zetels.

Op een verkiezingsbijeenkomst van de linkse alliantie MSZP-Párbeszéd zeiden partij-medewerkers zondag ongerust te zijn over de „morele, politieke en wettelijke genoegdoening” die Orbán van zijn tegenstanders verlangde in een campagnetoespraak. Zo wekte hij de vrees dat hij de ruimte voor tegenstemmen in de pers en maatschappelijke organisaties verder zal inperken.

Wat betreft buitenlands beleid gaat het derde kabinet-Orbán volgens analisten wellicht verder op de ingeslagen weg. Dat betekent: af en toe confrontaties met Brussel over de rechtsstaat of Europese herverdelings-quota voor vluchtelingen, maar zonder het EU-lidmaatschap ter discussie te stellen.