Opinie

    • Marcel van Roosmalen

De Vietnamees

Andere culturen bereikten ons in het dorp via de mond. Het was niet zo dat ze hun beste culinair specialisten naar Wormer hadden gestuurd. De Vietnamees tegenover de Vomar hadden we tot dan gepasseerd, maar tijdens een gezinsfietstocht met twee zingende kinderen zei de vriendin ter hoogte van de Zaanse Schans: „Weet je waar ik zin in heb? In Vietnamees!” „In een Vietnamees?”, vroeg ik want het was daar slalommen tussen al die met bussen aangevoerde Aziaten die schijt hadden aan het bestemmingsverkeer. „Nee, in Vietnamees eten.”

Ik herinnerde haar aan eerdere afhaalervaringen, met als dieptepunt de pasta’s in de plastic bakken van de Italiaan bij het winkelcentrumpje, die een paar dagen na consumptie nog regelmatig ter sprake kwamen. „Hoe voel je je nu?” „Nog steeds carbonara.”

Maar sinds wanneer scheerden we ze allemaal over een kam? Bovendien: Vietnamezen waren geen Italianen. Hoe komt een Vietnamese familie ertoe om juist in Wormer een afhaal te beginnen? Ik dacht hardop dat het waarschijnlijk nazaten van bootvluchtelingen waren die net als wij door een speling van het lot in het dorp waren beland. Daar werd verder niet op gereageerd.

Er naar toe. De vriendin ging alvast de tafel in de tuin dekken, terwijl ik met de oudste dochter (2) een wat plakkerige groen-wit geverfde ruimte betrad. Op een kruk achter de balie at een Vietnamese vrouw uit een bak mie. In het keukentje achter haar zat een vrouw op een stoel, tussen met zilverpapier afgedekte pannen. Ik bestelde nummer 7 en nummer 42, het werd door geschreeuwd naar achteren. „Het wordt nu gekookt”, zei de vrouw achter de balie en ze ging weer verder met haar mie.

Ik trok mezelf terug op een bankje met een beduimelde Story, terwijl de dochter zich op een Vietnamees jongetje van haar eigen leeftijd stortte. Hij had een miniatuur-wc-tje dat echt kon doorspoelen en waarmee je met een druk op de knop ook mensen in het gezicht kon sproeien.

„Papa, kijk dan!” Straal water in de snuit. De twee kinderen hielden hun buik vast van het lachen. „Nog een keer!” Nou, papa was geen debiel.

We zaten er twintig minuten – veertig minuten – een uur, de zon zakte al, de vriendin appte dat de tafel gedekt was, ik was drie keer met het mini-wc-tje in het gezicht gespoten, maar uit de keuken geen nieuws.

Ik: „Eten nog niet klaar?” Zij: „Nee.”

De kinderen gingen naast elkaar op de grond liggen. Juist toen ik dacht dat ik er maar bij moest gaan liggen zette een dikke man met een vriendelijk gezicht het eten op de toonbank. Waar kwam die opeens vandaan? Hij: „Uit Vietnam.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen