Recensie

Schotse Young Fathers zoemen, knallen en vlammen

Pop Het Schotse trio liet de stemmen tegen elkaar ketsen in een drie-eenheid van soul, punk en hiphop.

Young Fathers in 2014 na de uitreiking van de Mercury Prize Foto Reuters

‘Get up and have a party!” Uit de monden van de Young Fathers klonk het eerder als een bevel dan een uitnodiging. Het trio uit het Schotse Edinburgh was niet naar Paradiso Noord gekomen om de uitverkochte zaal te behagen. Ze zochten de confrontatie, eerst met een uitdagende stilte van silhouetten tegen de monochroom verlichte achtergrond, daarna met grimmige teksten over patsergedrag en de strijd tussen de seksen.

In 2014 wonnen ze de Mercury Prize met hun debuutalbum Dead; een gedurfde keuze voor muziek die rauw en ondefinieerbaar klonk. Hun werkgebied ligt ergens tussen soul, punk en hiphop, een explosief mengsel waar de kartelrand nog volop aan zit. Zelfs van een portie gabberhouse met stuiterritme zijn Young Fathers niet vies. Kayus Bankole, Alloysious Massaquoi en Graham ‘G’ Hastings hebben geen vastomlijnde rolverdeling. Als rappers, zangers en dansers zijn ze een drie-eenheid van interactieve vocalen, tegen bezwerende baslijnen en galmende roffels van een staande drummer.

Mooi zingen deden de Young Fathers alleen als het ze uitkwam, in de nummers ‘Wow’ en ‘In My View’ van hun derde album Cocoa Sugar. Hun belangrijkste troef was de dynamiek van stemmen die tegen elkaar ketsten, begeleid door wringende ritmes en een schaduwspel van wilde bewegingen. De climax kwam in het nummer ‘Only God Knows’, niet voor niets door Danny Boyle uitverkoren als het muzikale hart van zijn film Trainspotting 2. Het zoemde, het knalde en het vlamde. Orgeltonen en gospelvuur volgden in het contemplatieve ‘Lord’.

Het overrompelende ‘Shame’ werd de laatste explosie, nadat de Young Fathers hadden bezworen dat ze nooit zoiets flauws zouden doen als van het podium verdwijnen om terug te keren voor een toegift. Het publiek antwoordde met een woud van armen in de lucht. Een feest werd het hoe dan ook.

    • Jan Vollaard