Kom je thuis, ligt de baby al in bed

Kamerleden met kleine kinderen

Een SP-Kamerlid vond het moederschap niet te combineren met haar werk. Hoe doen andere jonge ouders in de Kamer dat?

D66-Kamerlid Vera Bergkamp in februari 2017 met een kraamcadeau voor SP-Kamerlid Nine Kooiman (niet op de foto), die even terugkwam van zwangerschapsverlof om voor een wetsvoorstel van Bergkamp te stemmen. Foto Dirk Hol/ANP

Hij stond op het punt naar huis te gaan. Toen hoorde hij dat het CDA nog twijfelde of ze zijn motie zouden steunen. Dennis Wiersma (32), Tweede Kamerlid voor de VVD, móest in actie komen: overleggen met minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en vervolgens de tekst aanpassen, zodat de motie op brede steun van de coalitie kon rekenen. Gevolg: twee uur later thuis dan gepland. Zijn dochtertje van zeven maanden lag toen al in bed.

Het hoort erbij, weet Wiersma. Het Kamerlidmaatschap is veeleisend en de werktijden zijn onvoorspelbaar. Het betekent wel dat er doordeweeks veel neerkomt op zijn vrouw, die zelf ook 32 uur werkt. „Je doet het samen, maar het is altijd scheef.” Toch, zegt hij, heeft hij niet het gevoel dat hij compromissen moet sluiten die hij niet wil. „Je moet goed plannen, maar het is te doen.”

Voor SP’er Nine Kooiman (37) bleek het moederschap niet te combineren met het Kamerwerk. Vorige week nam de moeder van een jongetje van één afscheid van het parlement. „Over vier jaar wil ik mijn zoontje niet hoeven aankijken met de gedachte: ‘Wat heb ik veel van je gemist’”, zei ze. Waarmee ze, zo beklemtoonde Kooiman, niets wil zeggen over de andere moeders – „en vaders!” – in de Tweede Kamer die het werk wél met kleine kinderen kunnen combineren.

Maar hoe doen al die jonge vaders en moeders op het Binnenhof dat? Kun je alleen volksvertegenwoordiger zijn als je een extreem flexibele partner hebt – of een au pair? Daar komt het wel op neer, leert een rondgang langs zittende en oud-Kamerleden.

CDA-Kamerlid Harry van der Molen (37) stapt iedere dinsdagochtend om kwart over zeven in Leeuwarden op de trein naar Den Haag, om donderdagavond laat terug te keren. Als hij in zijn Haagse appartementje zit zorgt zijn vrouw, operatie-assistente, voor hun dochter van negen en zoon van zes. Hij wil geen medelijden, zegt Van der Molen. „Een vrachtwagenchauffeur is ook vaak van huis.”

Het leven is nu overzichtelijker dan toen hij wethouder in Leeuwarden was, zegt hij. Destijds was de afspraak dat hij elke avond thuis at. „Daar kwam regelmatig iets tussen. Als ik er nu niet ben, ben ik er niet.” Of hij veel moet missen? „Als mijn zoon zijn eerste bril mag ophalen, die we samen hebben uitgezocht, kan hij me die niet meteen laten zien. Maar dan bel ik natuurlijk wel even naar huis.” 

Flexibele man

Op dinsdag, woensdag en donderdag vergadert de Tweede Kamer, vaak ook ’s avonds. Op maandag en vrijdag gaan Kamerleden op werkbezoek en bereiden ze debatten voor. In het weekend zijn er ook partijverplichtingen, zoals het bezoeken van lokale afdelingen, trainingen en congressen. In verkiezingstijd wordt er campagne gevoerd.

Lea Bouwmeester, van 2006 tot vorig jaar PvdA-Kamerlid, heeft het moederschap in combinatie met het Kamerwerk niet als zwaar ervaren. „Maar ik heb makkelijk praten”, geeft ze toe. Ze woont in Den Haag én heeft een „fantastische, super-geëmancipeerde en flexibele man”, die toen hun eerste kind kwam zijn vaste baan opzegde en voor zichzelf begon, zodat hij thuis de boel kon opvangen. „Ik kon iedere ochtend met mijn kinderen ontbijten en ze naar de crèche brengen. Ik had geen stress.”

Eén penibele situatie kan Bouwmeester zich nog goed herinneren. Ze had een belangrijk overleg met Edith Schippers, de toenmalige minister van Volksgezondheid, toen haar dochter ziek was en haar man niet thuis kon zijn. „Ook dat loste zich op. Edith zei: ‘Ik ben ook moeder, ik ken dit’, en ze kwam met haar ambtenaren gewoon bij mij thuis.”

Wie in Den Haag werkt, moet niet alleen organiseren dat er iemand is die voor de kinderen kan zorgen, maar doet er ook goed aan om de situatie thuis los te laten. Voor sommigen valt dat niet mee.

Zo beschrijft Femke Halsema, oud-fractievoorzitter van GroenLinks, in haar memoires hoe ze weer aan het werk ging nadat ze in 2003 was bevallen van een tweeling. „Ik mis de kinderen en ben bang het moment te missen dat ze gaan praten of lopen. En stiekem denk ik het als moeder ook allemaal beter te kunnen: verschonen, eten maken, ze in slaap sussen.”

Het gevolg was dat ze ’s nachts babykleren waste, porties zelfgemaakte voeding invroor en haar man koeioneerde. „Het wordt snel onhoudbaar om tegelijkertijd een aanwezige, dominante moeder en een goede fractievoorzitter te zijn. Thuis verpest ik de stemming met mijn nerveuze bemoeizucht, in Den Haag mis ik de concentratie die ik juist hard nodig heb en overal heb ik het gevoel dat ik tekortschiet.”

Liever nog even doorwerken

Attje Kuiken, sinds elf jaar PvdA-Kamerlid, heeft daar naar eigen zeggen geen last van. Soms geeft ze haar dochter van acht ’s ochtends een kus en denkt ze aan het einde van de dag: „Hoe zou het met haar gaan?” Bij de PvdA geeft fractievoorzitter Lodewijk Asscher, vader van drie jonge kinderen, het goede voorbeeld, zegt Kuiken. „Je voelt je daardoor nooit vervelend als je voor een dilemma staat. Dat zou anders zijn als je bij een bedrijf werkt waar de norm is: niemand gaat voor zeven uur naar huis. Of: een ziek kind is nooit een excuus.” 

In de drukste weken schiet hij te kort, erkent D66-Kamerlid Jan Paternotte (34). Dat probeert hij in het weekend en in recessen goed te maken. Doordeweeks lukt het hem zelden om zijn tweejarige dochter op bed te leggen. Als hij denkt dat hij het kan halen, vertrekt hij soms in vliegende haast vanuit Den Haag. „Maar als mijn debat om zeven uur afgelopen is, en ze toch al in bed ligt, blijf ik liever nog even doorwerken.”

Schuldig tegenover haar dochter voelt Attje Kuiken zich niet, zegt ze. „Maar soms wel naar mijn man. Het thuisfront moet altijd rekening met jóú houden. Je vraagt heel veel van iemand.”

    • Barbara Rijlaarsdam