Waarom toch die angst voor het vmbo?

Naar het vmbo

Deze week begonnen de praktijkexamens op het vmbo, een schoolsoort die ook na bijna twintig jaar niet de harten heeft veroverd. Waarom niet? Drie keer langs op een vmbo.

Egnis Lindeborg (13) is eerstejaars vmbo-basis. Ze vindt het fijn om mensen te helpen. Ze helpt soms ook haar tante, die thuis kinderen opvangt. „Ik ga met ze spelen, geef ze eten, verschoon ze, geef ze flessen.” Op school vindt ze de praktijklessen leuk, de theorievakken minder. „Maar sommige vakken, zoals Nederlands en wiskunde, heb je gewoon nodig.” Daniël Niessen

Sommige vrienden die vwo doen, zegt eersteklasser Marnix Stam (13) uit Groenekan, doen alsof ze beter zijn. Ze zeggen dingen als: vmbo’ers zijn dom. „Ik heb gezegd dat ze normaal moeten doen. Het is niet erg als je op de mavo zit: we zijn allemaal hetzelfde, allemaal mens. Ik zei: als jullie door blijven zeuren, dan hoef ik jullie niet meer te zien.”

Marnix, die brandweerman, laborant, piloot of kapper wil worden, zit aan tafel met zes andere eersteklassers in de kantine van de Aeres Mavo in Bilthoven. Het is pauze en lawaaiig. Aan de muur hangen borden met dingen die leerlingen goed vinden aan de school en dingen die ze willen veranderen. Klas 4b wil kunnen pinnen; klas 1b wil graag een trampoline op het schoolplein.

Het is niet erg als je op de mavo zit: we zijn allemaal hetzelfde, allemaal mens

Marnix Stam (13)

De school wordt door ouders als ‘veilig’ omschreven: klein (280 leerlingen), categoraal (alleen mavo, oftewel vmbo-tl) en in een bosrijke villa-omgeving. Niet ‘wit’, overigens: de leerlingen hebben allerlei achtergronden. Maar liefst een derde heeft eerder elders op school gezeten, meestal een havo/vwo-school. Dat komt, denkt docent geschiedenis en maatschappijleer Peter van Esschoten, omdat de druk om havo of vwo te doen in deze regio hoog is. „De huiswerkinstituten schieten als paddenstoelen uit de grond.”

Al sinds de oprichting in 1999 kampt het vmbo met een groot imagoprobleem. In februari riep onderwijsminister Arie Slob ouders op het vmbo niet meer koste wat het kost te vermijden. „Het vmbo is niet een soort vergaarbak van kinderen die niet naar havo of vwo kunnen”, zei hij in het AD. „Dit is geen restonderwijs.” Uit een recente enquête van vakbond CNV en EenVandaag bleek dat driekwart van de basisschoolleraren die advies geven voor de middelbare school druk ervaart om dat advies aan te passen. Slob, zelf vader van vmbo-kinderen, deed zijn oproep onder meer omdat het aantal vmbo-leerlingen daalt, met name op de ‘laagste’ niveaus.

Het vmbo is niet een soort vergaarbak van kinderen die niet naar havo of vwo kunnen

Arie Slob, minister van Onderwijs

De verdeling in niveaus is een van de dingen die verbetering van het imago mogelijk in de weg staan. Het vmbo kent uiteenlopende ‘leerwegen’, aangeduid met letters (vmbo-bl, vmbo-kl, vmbo-gl), onbegrijpelijk voor iemand die zich er niet in verdiept. ‘Het’ vmbo bestaat niet, evenmin als ‘de’ vmbo-leerling – het gaat van een mavo-leerling met havo-ambities tot leerlingen met taalachterstand en/of gedragsproblemen voor wie elk diploma een overwinning is. Drie jaar geleden adviseerde de Onderwijsraad, een adviesorgaan van de regering, het diffuse ‘vmbo’ af te schaffen en te splitsen in mavo-scholen en ‘vakmanschapscholen’. Dat is niet gebeurd, maar veel vmbo-t scholen, zoals die in Bilthoven, noemen zich weer mavo, zoals vroeger. Een kwestie van marketing. De naam ‘mavo’ doet het veel beter bij ouders dan ‘vmbo’.

Lees ook: Veel ouders moeten er niet aan denken dat hun kind naar het vmbo gaat. Hoe is dat als hun kind er eenmaal op zit?

Interieurstylist

Comenius Beroepsonderwijs Capelle, met 700 leerlingen, beperkt zich juist tot ‘vmbo-basis’ en ‘vmbo-kader’ – onderwijs met veel nadruk op de praktijk. Op een muur in de hal van het drie jaar oude gebouw zijn portretten geschilderd van onder meer Einstein, Indira Ghandi, de Dalai Lama en koning Willem-Alexander. Zelfs de koning, dicht bij de grond, is nog altijd puntgaaf, wijst directeur Veronica Pors. Nog geen snorretje of bril ontsiert zijn gelaat.

Ook hier zijn ze vertrouwd met de weerstand van ouders tegen het vmbo. „Ouders slapen er niet van als hun kind een kader-advies krijgt”, zegt Pors verontwaardigd. Tanisha Bachasing (29), teamleider techniek: „Bij intakegesprekken zeggen ouders: we schrijven ons wel in maar we wachten op de Cito-uitslag, want we willen zo hoog mogelijk.” Ze denkt dat de leerlingen dat ook voelen. „Veel kinderen die hier rondlopen denken dat ze dom zijn.”

Wie Veronica Pors hoort praten, ziet een vmbo opdoemen zoals het altijd al was bedoeld: een sterk onderwijsinstituut dat een goede basisopleiding biedt voor kinderen die een vak willen leren. „Als je auto kapot gaat, wil je nú een monteur. Als de wc verstopt zit, wil je nú een loodgieter”, zegt Pors. „We zijn trots op het werk dat zulke vakmensen doen. Ook zij zijn op het vmbo begonnen. Net als technici in de ICT-wereld. Ik zou dolgraag willen dat ouders trots zijn op een kind dat het beroepsonderwijs in gaat.”

Lees ook: Leerlingen zijn er niet trots op, als ze op het vmbo een praktijkopleiding volgen. Maar wat is er eigenlijk mis mee?

Je komt die trots tegen bij leerlingen op haar school. In het lichte praktijklokaal van techniek staat Amy van Walsum (16) te timmeren aan een van de zeshoekige werktafels. Ze doet vmbo-kader, richting BWI (bouwen, wonen, interieur) en laat een solide kastje zien dat ze net heeft gemaakt. Ze wil „interieurstylist” worden. „Mijn vader is meubelmaker. Het is mij met de paplepel ingegoten.”

Maar er zijn ook leerlingen die nog niet zo goed weten wat ze willen. Jordi Huncks (16), achter een laptop in lokaal B104, vraagt aan klasgenoten welke richting hij ook alweer doet. ‘Veelzijdig vakkundig’ heet die. Elke paar weken krijgt hij een ander praktijkvak om erachter te komen wat hem ligt. Houtbewerking wordt het zeker niet. „Ik ben niet zo van het handwerk.” Twee stoelen verder zit een meisje dat bedrijfsadministratie doet en precies weet wat ze wil: verder leren, liefst tot en met de universiteit. Dat het een lange weg is, vindt ze niet erg. „Als ik het maar haal.”

Amalia Salmo (13) lijkt ook in haar element. Ze is eerstejaars vmbo-basis met lwoo, leerwegondersteunend onderwijs – extra hulp. Zij weet al heel lang dat ze wil werken „met baby’s of ouderen”. Ze heeft een zusje van 2 en een nichtje van 1. School noemt ze „leerzaam”. In het praktijklokaal zorg en welzijn leerde ze bijvoorbeeld dat je een baby ook kunt baden in een Tummy Tub. „Wij gingen meestal douchen met mijn zusje.”

Egnis Lindeborg (13) is eerstejaars vmbo-basis. Ze vindt het fijn om mensen te helpen. Ze helpt soms ook haar tante, die thuis kinderen opvangt. „Ik ga met ze spelen, geef ze eten, verschoon ze, geef ze flessen.” Op school vindt ze de praktijklessen leuk, de theorievakken minder. „Maar sommige vakken, zoals Nederlands en wiskunde, heb je gewoon nodig.”
Daniël Niessen
Joey den Dekker (15) is derdejaars vmbo kader, richting metaal. Hij wil lasser worden, net als zijn vader was voor hij meer administratief werk ging doen in de Rotterdamse haven. „Ik vind het interessant hoe alles werkt. We zijn op school bezig met een boot. Dan las je alles aan elkaar vast.” In juni gaat hij stage lopen in de haven.
Daniël Niessen
Ayeda Nok (13) is eerstejaars vmbo-basis en doet de richting zorg en welzijn. „Ik hou heel erg van met baby’s werken.” Ze heeft een broertje van zeven maanden en helpt ook graag haar tante, die in de kraamzorg werkt. Helemaal zeker is ze nog niet over haar toekomstige beroep. „Eigenlijk wil ik later twee banen.” Ook: kapper. „Ik vind het gewoon leuk om mensen hun haren te doen. In model te brengen.”
Daniël Niessen
Leerlingen van Comenius Beroepsonderwijs Capelle, een school voor vmbo-basis en vmbo-kader met 700 leerlingen. Zij kunnen kiezen uit ‘profielen’ als Media, Vormgeving en ICT, Zorg en Welzijn en Bouwen, Wonen en Interieur.
Daniël Niessen

Centiliters en deciliters

De helft van de leerlingen op Comenius Beroepsonderwijs komt op de fiets uit Capelle en omliggende plaatsen. De andere helft komt met de metro uit Rotterdam. Er zijn relatief weinig Marokkaanse en Turkse leerlingen, relatief veel Surinaamse, Antilliaanse en Kaapverdische.

Dat leerlingen extra begeleiding nodig hebben, is niet ongewoon. Veronica Pors: „Wij krijgen kinderen van twaalf binnen met een taal- en/of rekenachterstand van twee jaar. Docenten moeten wel weten wat ze daarmee moeten doen. Bij zorg en welzijn is het belangrijk dat zij hun centiliters en deciliters goed kunnen toepassen – als je het hebt over medicijnen of koken. Bij techniek moet iemand echt weten waar je het over hebt bij ‘honderd vierkante meter’. Dat moet je in je hoofd hebben.”

In Utrecht staat het Globe College, een vmbo-school met 600 leerlingen voor alle niveaus: van basis tot en met mavo. Maar mavo-leerlingen krijgt het Globe College niet veel. Directeur Frank Corneth: „Ouders doen kinderen met dat advies liever naar een school waar ook havo is. Ze denken: dan kan mijn kind nog doorstromen.”

Veel kinderen die hier rondlopen denken dat ze dom zijn

Tanisha Bachasing (29), teamleider techniek op Comenius Beroepsonderwijs Capelle

Het vmbo heeft ten onrechte een slechte naam, zegt Corneth. „Vooral in een stad als Utrecht: hoogopgeleid en gericht op diensten.” Voor zijn aantreden in 2015 was de ‘harde techniek’ (metaal, installatie, bouw) volledig uit de stad verdwenen. „Er was alleen nog ‘zachte techniek’, zoals grafische vormgeving. En witteboorden-vmbo: economie, handel, administratie, zorg en welzijn.” Nog steeds zijn op het Globe College de leerroutes voor kantoorbanen het populairst, terwijl techniek de meeste baankansen biedt.

Imagotechnisch heeft zijn school het als ‘stads-vmbo’ nog moeilijker dan andere vmbo-scholen, denkt Corneth. „Ouders kiezen liever een school in Zeist of Woerden, omdat dat veilig zou zijn.” Hij vindt het een rare gedachte. „We hebben hier te maken met een mix van culturen, met achterstandswijken. Maar we gebruiken dat: we laten leerlingen vertellen. In die zin zijn we een rijkere school.” Natuurlijk zijn er weleens vechtpartijtjes. „Maar elke school die zegt dat niet te hebben jokt, volgens mij.”

Corneth vindt de fixatie op schoolniveau verkeerd. Een kind van twaalf is nog niet af, daar kun je nog geen definitief etiket opplakken. Daarom heeft hij kritiek op het pleidooi van onderwijsminister Slob. „Hij zegt: voor ieder kind het juiste niveau. Maar het kan best zijn dat een kind dat hier begint, op de universiteit eindigt. Leerlingen moeten misschien tot na hun zeventigste doorwerken – weet je hoe lang dat nog is!”

De Onderwijsinspectie versterkt de prestatiedruk, vindt Corneth. „Je bent een toffe vmbo-school als je veel havo-uitstroom hebt. Ik heb een inspecteur horen zeggen: je kunt op de basisschool beter een te hoog advies afgeven dan een te laag advies. Zij zien emancipatie als hóóg.” Het gevolg, ziet hij: afstroom. Per jaar krijgt hij zo’n twintig leerlingen op school die vmbo-t (mavo) elders niet hebben gered. „Die komen hier beschadigd binnen, want ze hebben twee jaar te veel gepiekt en het niet gehaald. Dat is een teleurstelling voor ze, een straf. En dat is jammer.”

Kayleigh Hogervorst (15) is vierdejaars vmbo-tl. „Mijn advies op de basisschool was vmbo/havo. Mijn ouders hebben voor het vmbo gekozen omdat ze mij eerst wat meer kind wilden laten zijn. Later zou ik graag een eigen bedrijfje beginnen. Waarin, dat weet ik nog niet. Ik vind economie wel interessant. Maar dat je in de derde klas al een sector moet kiezen, vind ik te vroeg.
Hierna wil ik havo doen, zodat ik wat meer bedenktijd heb.”

Daniël Niessen
Mark Garritsen (15) is vierdejaars vmbo-tl: „Sinds ik acht ben weet ik dat ik leraar wil worden. Het lijkt me leuk om kinderen informatie te geven, dat zij iets kunnen door jou. Ik wil geschiedenis geven of Engels. Geschiedenis omdat ik dat een heel leuk vak vind en omdat dat nooit verandert dus dat kan ik één keer goed leren en dan meerdere manieren verzinnen om les te geven. Engels vind ik een leuke en belangrijke taal.”
Daniël Niessen
Aïsha van Zijl (16) is vierdejaars vmbo-tl. „Over tien jaar hoop ik de hotelschool gedaan te hebben. Liefst op het hbo. En dan wil ik iets voor mezelf beginnen. Ik heb eerst havo gedaan, toen twijfelde ik tussen horeca en verloskundige. Op het vmbo wordt verloskundige hem niet, maar ik vind horeca ook heel leuk.”
Daniël Niessen
Leerlingen van de Aeres MAVO in Bilthoven, een categorale school (vmbo-theoretische leerweg) van 280 leerlingen. In het eerste jaar krijgen leerlingen lessen over voeding en gezondheid, vanaf het tweede jaar krijgen ze lessen over Europese en internationale onderwerpen.
Daniël Niessen

‘Wij hebben zelfspot’

Op het Aeres Mavo in Bilthoven zitten ook veel kinderen die zijn afgestroomd. Derdeklasser Olivier (15) komt van het vwo, Julius (15) van de havo. Beiden willen niet met hun achternaam in de krant. Ze zitten aan een tafel in de gang met Houda Rajouai (14), die kraamverzorgster wil worden, en Ibtisassame Bennamari (15) die misschien naar de pabo wil.

Merken zij wat van het slechte imago van het vmbo? „Met voetbal zeggen ze weleens: ik zou niet naar hem luisteren, want hij zit op de mavo”, zegt Olivier. Hij is de enige in zijn team die op het vmbo zit. Hij grapt: „Een nadeel van deze school is dat je hier niemand dom kunt noemen. Als je dat doet, dan zeggen ze: iedereen is hier dom.” „Ja”, voegt Julius toe: „Wij hebben zelfspot.”

Houda had eerst een kader-advies, dat vond haar moeder niet leuk. „Mijn zus doet havo, de andere mavo. Toen moest ik op bijles. Ik baalde ook wel, want ik dacht: ik wil iets bereiken in mijn leven. Nu zit ik goed op mijn plek. Het niveau is precies goed.”

Ook ‘afstromers’ Julius en Olivier voelen zich hier thuis. „Ik heb nu veel meer vrije tijd”, zegt Olivier lachend. En Julius: „Ik hoef niet zoveel te doen.” Dan, serieuzer: „Ik merk dat de mensen hier veel gezelliger zijn dan op het vwo. Ze nemen het leven minder serieus, en ik denk eigenlijk wel dat goed is.”

    • Joke Mat
    • Mirjam Remie