Nu even genoeg gesomberd

Optimisme

Nederlanders zijn ineens veel optimistischer dan een paar maanden terug. Hoe komt dat?

Illustratie Getty Images

Schokkend nieuws vorige week: voor het eerst in tien jaar telt Nederland meer optimisten dan pessimisten. Maar liefst 49 procent denkt dat het de goede kant opgaat met Nederland, tegen 35 procent in het vorige SCP-kwartaalonderzoek. De groep die het de verkeerde kant op ziet gaan slonk van 57 tot 39 procent.

Bij de artikelen hierover kozen de media voor foto’s van blije Nederlanders op terrassen, bij fonteinen, in de duinen, op het strand, met een biertje in de laagstaande zon. De mensen lachten, de een nog breder dan de ander.

Zie je wel, die boze burger berustte op een misverstand, zeiden sommigen. Maar anderen werden kwaad van dit nieuws. Het onderzoek was propaganda van het linkse SCP, zeiden ze – in werkelijkheid gaat het heel slecht met Nederland.

Dat is geen nieuw verwijt, zegt Paul Dekker, auteur van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB), het kwartaalonderzoek naar de publieke opinie in Nederland. „De klacht dat we vooringenomen zijn horen we altijd al. We krijgen vaak als reactie: ‘u heeft zeker in uw eigen vriendenkring zitten vragen, mij vragen ze niks’.” Dekker hecht er zelf aan dat de onderzoekers „verschillende antennes hebben”, zodat ze elkaars blinde vlekken kunnen compenseren. Wat dat betreft zit het met het COB wel goed: Dekkers naaste collega is Pepijn van Houwelingen van het Burgercomité-EU, een van de initiatiefnemers van het Oekraïnereferendum.

Dekker is trouwens zelf de eerste om de uitkomst van dit kwartaalonderzoek te nuanceren: „We hebben de afgelopen jaren wel meer fluctuaties gezien.” In het vorige kwartaalonderzoek was er juist een (ook moeilijk verklaarbare) daling van het optimisme, hoewel die minder steil was. De stijging kan dus deels een correctie zijn van de daling van toen.

Daarbij komt dat het feest van optimisme niet voor iedereen geldt. Het netto optimisme (het percentage optimisten min het percentage pessimisten) mag dan voor het eerst sinds het begin van de metingen in 2008 positief zijn, onder laagopgeleiden ligt dit nog steeds onder de nul. Ook in die groep stijgt het optimisme, maar minder snel dan onder hoogopgeleiden: de optimismekloof groeit dus.

Maar toch: de resultaten betekenen ook weer niet niks. Zo’n sterke stijging in het optimisme is uitzonderlijk, vertelt Dekker. Waar die vandaan komt? Dat is moeilijk te zeggen. Er is geen specifieke bevolkingsgroep die de stijging veroorzaakt, en ook geen specifieke bron van vertrouwen: zowel in economie, politiek als rechtspraak nam het vertrouwen toe. Het rapport spreekt over een ‘collectieve omslag in de publieke opinie’. Dekker kamde als een rechercheur de gebeurtenissen uit in de maanden voor januari, toen de meting begon: wat gebeurde er, wat kon de omslag verklaren? Geen overtuigend resultaat.

Collectieve moodswing

Jan Kleinnijenhuis, hoogleraar communicatiewetenschap aan de VU, wil er wel over speculeren. Een verklaring kan zijn dat er in januari, toen de meting werd uitgevoerd, net een nieuw kabinet zat, zegt hij. Bij de vorige meting in oktober was dat er nog niet. „Bij elk nieuw kabinet zie je dat het optimisme even omhoog gaat. Bij het vorige kabinet, na de ophef over de inkomensafhankelijke zorgpremie, ging het héél snel weer omlaag.”

Volgens Ruut Veenhoven, emeritus hoogleraar sociologie en specialist op het gebied van geluk, zit er ook een zekere willekeur in. „Het heeft met mode te maken. Als er een tijd gesomberd is willen we de andere kant wel eens zien.” Kleine dingen kunnen de aanleiding vormen voor zo’n collectieve moodswing: „Een overwinning van het Nederlands elftal geeft al een piekje.” Ook Paul Dekker noemt de voetballers. „Een gewonnen wedstrijd kan leiden tot meer bestedingen en een positieve sfeer. Die dingen kunnen elkaar versterken.” Daarbij kunnen mensen bepaalde (negatieve) onderwerpen ook zat worden, zegt hij. De politicoloog Anthony Downs noemde dat de ‘issue attention cycle’: na een tijdje neemt de aandacht voor een onderwerp af.

Maar helemaal willekeurig is de omslag niet. In de toelichtingen bij de antwoorden noemden de optimisten vooral de economie; pessimisten hadden het meer over culturele thema’s. Dat suggereert dat de economische voorspoed een grote rol speelt in de jubelstemming. Logisch, zegt Jan Kleinnijenhuis, want het consumentenvertrouwen loopt altijd achter op de berichtgeving over de economie.

Lees ook: Minder spullen, minder vriendschappen, meer geluk

Media spelen hierin een belangrijke rol: die kunnen het optimisme over de economie aanjagen of afzwakken. In slechte tijden kunnen ze het crisisgevoel ook behoorlijk versterken, zegt Rens Vliegenthart, hoogleraar Media en Samenleving aan de UvA. Hij leidt een onderzoek naar de invloed van economische berichtgeving op de publieke opinie over de economie. Wat blijkt: media hebben meer aandacht voor de economie wanneer het slecht gaat, en dat zorgt er weer voor dat mensen negatiever gaan denken over de economie. Vervolgens blijft negatief nieuws ook nog eens langer hangen dan positief nieuws. Op de politicologenblog Stuk Rood Vlees publiceerde promovenda Alyt Damstra deze week een artikel over het onderzoek, met daarin een mooie grafiek. Wanneer de economie groeit, zie je het aantal artikelen erover meteen afnemen. Dat aantal bevindt zich nu weer op een pre-crisis-dieptepunt.

„Goed nieuws is niet zo interessant, behalve als het over de Olympische Spelen gaat”, zegt Vliegenthart. Overigens maken niet alleen journalisten zich schuldig aan deze impuls, maar ook de lezers. Mensen rennen nu eenmaal niet naar de kiosk voor een artikel over de gestage daling van het begrotingstekort.

Een crisis is alleen een crisis als iedereen praat over de crisis

Geestig voetnootje

Paul Dekker merkt het bij de interviews die hij houdt voor het kwartaalonderzoek: negatieve ontwikkelingen hebben mensen vaak van horen zeggen. „Als we naar de belangrijke kwesties vragen, dan noemen ze dingen die in de media zijn geweest. Over hun eigen situatie zijn mensen tevredener.”

Misschien is men ook optimistischer omdat journalisten hebben besloten het eens over een vrolijke boeg te gooien, suggereert Ruut Veenhoven. „Die willen ook wel eens een ander verhaal vertellen.” Ook Jan Kleinnijenhuis wijst op de zichzelf versterkende spiraal van nieuws en publiek sentiment. „Geleidelijk aan is er meer positief nieuws. Een crisis is alleen een crisis als iedereen praat over de crisis.”

Wat dat betreft staat er een geestig voetnootje in het onderzoek: „We gaan hier niet speculeren over een mogelijk effect van een medio december verschenen SCP-publicatie die in de media veel aandacht kreeg omdat ze een positiever beeld van Nederland gaf dan veel mensen zouden verwachten.” In december verscheen De Sociale Staat van Nederland, een tweejaarlijks onderzoek waarin bijvoorbeeld stond dat Nederlanders milder zijn geworden over migranten.

Ja, dat was wel een golfje in de media, zegt Dekker: het onderzoek was op tv, in de kranten, columnisten schreven erover. „Het is wel een beetje gênant natuurlijk, dan ga je reflecteren op de mogelijkheid dat je eigen onderzoek een rol heeft gespeeld.” Gênant of niet, zo’n onderzoek past wel bij de algehele stemming, zegt Jan Kleinnijenhuis: „Het bevestigt het beeld in de media dat het beter gaat. En dat draagt er weer aan bij dat het beter gaat.”

Lees ook het opiniestuk van Joshua Livestro: Maar het gaat beter dan ooit – breek met dat pessimisme

Hoe duurzaam het optimisme is, moet blijken in het volgende kwartaalonderzoek. Voor het geluksgevoel van de Nederlanders maakt het trouwens niet uit. Bijna negen van de tien Nederlanders noemen zichzelf gelukkig, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek vorige maand. Daarop heeft de economie of de politiek weinig invloed: uit de grafieken van Ruut Veenhoven blijkt dat het geluksniveau stabiel hoog ligt. Veenhoven bestiert de World Database of Happiness, waarin van bijna alle landen ter wereld staat vermeld hoe het geluksniveau zich er ontwikkelt. Sinds begin jaren 70 fluctueert het Nederlandse gelukscijfer tussen 7,2 en 7,9, met een stijgende trend; de crisis heeft daarop nauwelijks invloed gehad. Dat is elders wel anders, zegt Veenhoven. „Kijk naar Griekenland, daar maakte het cijfer in de crisis een dramatische val mee. In Nederland gaat het goed en daarom is het verbazingwekkend dat er zoveel gesomberd wordt. ”

Nog meer goed nieuws uit de geluksdatabase: de gelukskloof is veel kleiner dan de optimismekloof. „In geen enkel land is het verschil in geluk van inwoners zo klein als in Nederland”, zegt Veenhoven. „Bovenaan de sociale ladder ligt het gemiddelde wel iets hoger dan onderaan, maar als je alle elementen van de sociaaleconomische positie bij elkaar optelt, kun je daar maar 5 procent van de verschillen in geluk mee verklaren. Of je gelukkig bent zit twee keer zoveel in je sociaal-emotionele netwerk: heb je vrienden, een partner, etcetera. En dat hebben laagopgeleiden met een klein inkomen net zo goed als hoogopgeleiden met een dik salaris: we zijn allemaal sociale dieren.”

    • Floor Rusman