Merlijn Doomernik

‘Lezers kunnen heel goed zonder mij’

Renate Dorrestein | Interview

In haar laatste boek kijkt Renate Dorrestein, ongeneeslijk ziek, terug op haar leven en werk. Met haar lezers had ze altijd een warme band; ze vonden steun, vernoemden kinderen naar haar personages. Een gesprek over dood, liefde en nalatenschap.

Afgelopen winter dacht ze dat het zover was. Door een schimmelinfectie kon Renate Dorrestein nauwelijks nog eten en drinken. Haar slokdarm was opgezwollen, er waren nieuwe tumoren bijgekomen. Nu komt de hemelpoort wel héél dichtbij, dacht ze.

Het was haar voorland, beseft Dorrestein. Die paar weken dat de schimmel behandeld werd, waren „behoorlijk grimmig”. En ook nu, een paar maanden later, vecht de auteur met haar lichaam. Zij lijdt aan een ongeneeslijke vorm van slokdarmkanker. Haar energie slinkt met de week.

Maar de geest is scherp als we elkaar in haar huis in Aerdenhout spreken. Met gevoel voor realisme en zelfspot blikt ze terug op haar loopbaan en de totstandkoming van Dagelijks werk, een nieuw boek waarin ze onderzoekt wat vijfendertig jaar lang de grondstoffen voor een ‘echte Dorrestein’ zijn geweest. De ingrediënten voor de romans die haar tot een van de populairste Nederlandse auteurs van de afgelopen decennia maakten.

Hoe kwam u erachter dat u ernstig ziek was?

„In de zomer van 2016 kreeg ik een scan voor mijn spierreuma. De internist vertelde dat ik plekjes op mijn lever en slokdarm had. ‘Laten we eerst maar die lever onderzoeken’, zei hij. ‘Dat is het minst belastende onderzoek.’ Toen bleek dat het plekje op de lever een fantoombeeld was, begon ik te twijfelen: moeten we dat darmonderzoek nog wel doen? In die tijd had ik vreselijke last van diarree door de medicatie van mijn spierreuma. Zó heftig dat ik het huis niet uit kon. Pas toen dat probleem was opgelost – met Kerst 2016 – werden mijn darmen onderzocht.”

U heeft een half jaar in onwetendheid geleefd.

„Ja, maar volgens de internist had een eerdere diagnose niets veranderd aan de levensverwachting: anderhalf jaar. Ik heb een heel agressieve tumor. Iets waar ik, gek genoeg, geen moment rekening mee heb gehouden. Mijn internist en ik maakten grappen over alle ziektes die ik in mijn leven heb gehad: ME, spierreuma… en dan óók nog kanker? Ik hoor hem nog zeggen: je kunt niet negen ziektes tegelijk hebben.”

Hij moet zich knap beroerd hebben gevoeld.

„We hebben er vaker over gesproken. Ik heb gezegd dat hij zich niet schuldig hoeft te voelen. Dat we het samen door de vingers hebben laten glippen. Daar moest hij om huilen.”

Dorrestein en haar echtgenoot, architect Maarten de Boer, waren ontdaan door het nieuws, maar wuifden het idee voor een slokdarmoperatie meteen weg. De ingreep is pittig en levert volgens de statistieken maar anderhalf jaar levensverlenging op.

Ze is 64. „Dan ben je niet in de wieg gesmoord”, zegt ze. In plaats daarvan kreeg ze drie maanden lang dagelijks chemo-radiatie – een vorm van palliatieve zorg.

U schrijft dat u niet genoeg doodsangst heeft om tot elke prijs door te willen leven.

„Mijn beste vriendin Liesbeth was begin veertig toen ze doodging. Ze liet twee jonge kinderen achter. Dat zíj hemel en aarde bewogen heeft, begrijp ik. Maar ik? ‘U bent nog zo jong’, zeggen de artsen. Dan zeg ik: ‘Ú bent jong. Ik niet. Wat zou u tegen uw moeder zeggen?’ Dan beginnen ze te hakkelen.”

Ik heb gezegd dat hij zich niet schuldig hoeft te voelen. Dat we het samen door de vingers hebben laten glippen

U kent geen doodsangst?

„Nee. Ik geloof dat ik in de hemel herenigd word met de mensen van wie ik houd en die al heel lang dood zijn. Zij zullen mij daar opwachten en het mogelijk maken over te steken. Tot die tijd hoop ik op een leven met veel kwaliteit. Als ik ’s ochtends mijn ogen open, besef ik dat ik binnenkort heel ziek word en doodga. Het is niet leuk, maar ik schrik er niet van. Dood gaan we allemaal. Waar ik wel ontzettend bang voor ben, is lijden. Daar ben ik niet op gebouwd.”

Als het niet hoeft, wil ze geen euthanasie. „Dat is beter voor mijn ziel.” Een ouderwetse katholieke gedachte, maar Dorrestein is dan ook door de nonnen opgevoed. „Het liefst kies ik voor palliatieve sedatie. Zo kan die ziel op een zelfverkozen moment op reis. Maar of het ook zo uitpakt? Alles gaat altijd anders dan ik wil. Ik sluit niet uit dat ik er met een kleine prik vandoor ga als ik vreselijke pijn krijg.”

Ik geloof dat ik in de hemel herenigd word met de mensen van wie ik houd en die al heel lang dood zijn

Voor ons op tafel ligt een TENS, een apparaat dat elektrische stroompjes afgeeft om pijn te kunnen beïnvloeden. TENS haalt de scherpe kantjes ervanaf en stelde haar in staat Dagelijks werk te schrijven. Het boek is een mozaïek van niet eerder of in kleine oplages gepubliceerde teksten, door Dorrestein van een toelichting voorzien. Een overzichtelijk project, dat minder inspanning vergt dan een roman.

Toch was ze bang dat ze zou overlijden voor het boek voltooid was. „Ik heb mezelf wijsgemaakt dat mijn redacteur Harminke in het ergste geval een deel kon overnemen. Dat was een geruststelling. Het schrijven voelde als een beloning. Of sterker: een reddingsboei. Het gevoel dat je iets gedaan hebt aan het eind van de dag, is belangrijk voor me. Zo houd ik het een beetje leuk.”

Kreeg u tijdens het schrijven antwoord op de vraag wat ‘een echte Dorrestein’ is?

„Dat, eh, weet ik niet. Dat heb ik nooit geweten. Net zo min als ik weet wat er op mijn grafzerk moet komen te staan.”

Terwijl u anders toch aardig kunt reflecteren op uzelf.

„Ja, maar mijn werk heb ik nooit goed kunnen duiden. Het is een macht die zich voor een deel buiten jezelf bevindt.”

In uw boek geeft u een paar voorzetten.

Veert op. „Oh ja? Vertel!”

Renate Dorrestein: „Ik ga niet echt staan voor wat ik gedaan heb.”. Merlijn Doomernik

U schrijft dat de essentie van het schrijven voor u de noodzaak is om ‘je armen naar je lezers uit te strekken’.

„Dat is waar. Ik omhels mijn lezers. Alles in mij roept: kom maar in mijn holletje.”

Ooit stond u drie uur lang een lezer te woord die u ’s avonds belde met de mededeling dat ze zichzelf van het leven wilde beroven. Ze belde u omdat u haar aan het lachen maakt.

Ze glimlacht. „Ja, ik heb altijd veel contact gehad met lezers. Ook in het pre-e-mail-tijdperk. Ik stond altijd tussen de mensen.”

Stelt u geen grenzen: tot hier en niet verder?

„Niet dat ik weet. Misschien loop ik er nog een keer tegenaan.”

Wat geven lezers u?

„Zingeving. Het betekent veel voor me als ik lees wat mijn werk voor mensen betekent. Dat ze hun kinderen naar personages hebben vernoemd. Dat ze nog weten welke boeken ze op welke momenten in hun leven lazen. Hoe het geholpen heeft: ik ben niet de enige, ik ben niet gek. Door woorden te geven aan pijnlijke kwesties los je ze niet op, maar je onttovert ze wel. Dat is wel typerend voor mij als schrijver, dat ik lezers het gevoel geef dat ze er niet alleen voor staan.”

U gaf ooit les aan Amerikaanse schrijvers die, figuurlijk, met hun rug naar de lezer toe gingen staan. Ziet u die hautaine houding vaker bij collega’s?

„Ik denk dat het een kwestie van karakter is. Je moet het leuk vinden om mensen met elkaar te verbinden. Ik herinner me een vrouw die schreef dat haar moeder een fan van mij was. Ze hadden een slechte verhouding, daarom had zij nooit een boek van mij willen lezen. Tot haar moeder overleed. ‘Door uw boeken ben ik mijn moeder met terugwerkende kracht gaan begrijpen’, schreef de vrouw. Dat is toch prachtig?”

Een lezer – u citeert haar in uw boek – schreef: ‘Mocht er een hemel zijn, dan hoop ik dat ze een goede uitgeverij hebben die ook bestellingen bezorgt hier beneden.’

„Ja, schattig he?”

Lezers lijken zich aan u vast te klampen.

„Nou, lezers kunnen heel goed zonder mij. Ze zijn op me gesteld, maar dat is het.”

Zou het?

„Ja. Ik denk dat ik binnen vijf jaar niet meer word gelezen. Daar kun je beter realistisch over zijn. Wie leest Reve nog? Vestdijk? Louis Ferron is dertien jaar dood. Nou, ik weet niet wanneer de laatste Ferron is verkocht in de boekwinkel. Niet eergisteren.”

Is dat erg?

„Nee. Er komen heus nieuwe auteurs die spannende dingen te bieden hebben.” Ze buigt zich voorover en fluistert: „Het zijn uiteindelijk maar boeken.”

De mensen die hun kind naar een romanpersonage vernoemen, lijken daar anders over te denken.

„Dat is waar. Voor de lezer is het niet ‘maar’ een boek. Ik ben zelf ook een lezer, dus ik herken die ervaring.”

Later zegt ze dat niet schrijven, maar lezen haar het meeste geluk heeft bezorgd in haar leven. „Hoeveel ik ook van schrijven houd, hoor, maar het is best zwaar. Lezen vervult mij. Het bezorgt mij een bijna sensueel genot als ik met een prachtige Ierse roman op de bank lig. Ik heb er niets voor hoeven doen, hoef alleen maar te genieten.”

Het schrijven voelde als een beloning. Of sterker: een reddingsboei

Met recensenten heeft Dorrestein een veel complexere relatie dan met haar lezers. Een aantal van hen krijgt er stevig van langs in haar boek. Zo noemt ze Guus Middag van NRC „een stekeblinde”. En Jeroen Vullings, die in Vrij Nederland gehakt maakte van haar roman Is er hoop, typeert ze als elitair en wereldvreemd. „Blijkbaar kent Vullings geen mensen met zulke onsexy imperfecties als een IQ dat lager is dan dat van een Nobelprijswinnaar”, schrijft ze.

Pittige kwalificaties.

„Ik heb ze nog gespaard, hoor.”

In welke zin?

„Ik weet nog dat Pieter Steinz in een openbaar interview aan mij vroeg of ik de recensenten heb gekregen die ik verdien. Een goede, maar pijnlijke vraag. Ik wilde ‘nee’ zeggen, maar dat vond ik een beetje ijdel.”

Wel zo eerlijk.

„Ja, maar ook ijdel. De vraag overviel me, omdat Pieter net een boek van mij vreselijk de grond in had geboord. Ik zag zijn vraag als een kans om mezelf te revancheren. Maar het lukte me niet. Op zo veel aardigheid was ik niet bedacht.”

Steinz is niet meer onder ons. Wat had u tegen hem willen zeggen?

„Dat ik zijn handreiking bijzonder vond en waardeerde. En dat ik niet altijd de recensenten heb gekregen die mijn werk verdient. Daar moet ik niet over piepen, maar het is wel waar.”

Wordt uw werk niet begrepen, of is het iets anders?

„Ik ben heel lang voor veel mannen een bedreigende factor geweest. Toen ik voor mijn boek oude stukken van mezelf terug las, dacht ik vaak: Renate, Renate, het had wel een knoopje minder gekund!”

U schreef dat mannen voor hun eigen gerief gaan en alleen geïnteresseerd zijn in vrouwen vanwege hun vagina.

„Dat is een artikel van dertig jaar geleden, hè. Ik maakte een punt over het heteroseksuele ongenoegen. Het was niet de waarheid, maar wel aannemelijk te maken in die tijd. Ik vond het leuk zaken op de spits te drijven, maar veel mannen vonden mijn gedrag boosaardig. In boekbesprekingen kwam mijn feminisme vaak aan de orde. Dat het zó serieus genomen zou worden – en de repercussies zo groot zouden zijn – had ik niet verwacht.”

Begrijpt u het mannelijke verzet nu beter?

„Ja, dankzij de Zwarte Piet-discussie, die veel gemeen heeft met het seksisme-debat. Ik denk zelfs dat de racisme-discussie niet mogelijk was geweest zonder het feminisme. Ik zie precies dezelfde emoties, verwarring, rolverdeling. Zelfs de blikken van mensen zijn hetzelfde. Ik merkte dat mijn verzet tegen de tegenstanders van Zwarte Piet net zo groot was als dat van de mannen die zich aan mij ergerden. Ook mijn houding was er typisch een van de bevoorrechte klasse: ‘Ik heb nooit een slaaf gekocht. Ga weg met je slachtoffergedrag!’ Heel leerzaam vond ik dat.”

Ik denk dat ik binnen vijf jaar niet meer word gelezen

Het gesprek komt op Maarten, sinds dertig jaar haar levensgezel. „Een vrolijke, inspirerende dwarsdenker” noemt Dorrestein hem. Ze hebben nooit samengewoond, en dat verklaart voor een belangrijk deel waarom ze het hebben gered. „Ik ben altijd blij om hem te zien, heb altijd zin in seks. Als je niet samenwoont, verdoe je geen tijd met nonsens. Omdat je weet: straks gaat-ie weer weg.”

Vorige zomer zijn jullie getrouwd.

Ze knikt. „Maarten vroeg mij ten huwelijk. We zaten op een bankje in Leuven, ons eerste uitje na mijn diagnose. ‘Wil je met me trouwen’, vroeg hij vanuit het niets. Het maakte zó’n indruk. De tranen sprongen rechtstandig uit mijn ogen.”

Door de omstandigheden?

„Ja. Maarten wilde aan de wereld laten zien dat hij tot het einde bij mij blijft. Het is geen garantie, maar het is wel een proclamatie waar ik gevoelig voor ben. Het is zo sentimenteel en groots om vanaf de kerktoren te roepen: ik ga voor jou! In de maanden daarna werden veel zaken bespreekbaar. Welke steen er op mijn graf komt. Hoe mijn nalatenschap moet worden geregeld. Het is gezellig en bevredigend om alles samen te ordenen.”

Dorrestein vertelt dat ze eerder dit jaar bezoek kreeg van de directeur van het Literatuurmuseum. Hij was nog niet binnen of hij vroeg al of hij haar archief mocht hebben. Zo kan haar oeuvre in de toekomst door wetenschappers onderzocht worden. „Hij wilde mijn computer, maar ik zei dat ik die nog even onder me wilde houden.”

Pijnlijk.

Ze lacht. „Het was… heel apart. Later sprak ik erover met een vriend. Die zei: het zijn verzamelaars, joh. Ze gaan voor wat ze willen hebben en vergeten dat het voor de andere partij misschien een wat vreemd gesprek is.”

Haar archief is prachtig, zegt ze, maar grote onthullingen gaat het niet opleveren. „Als ik ’s nachts niet kan slapen, pieker ik over wat ik er nog in kan hangen. Een verborgen roman? Roddels over andere schrijvers? Mijn handen jeuken. Nu kan het nog.”

Ik denk zelfs dat de racisme-discussie niet mogelijk was geweest zonder het feminisme

Na de derde kop koffie – met Turkse lekkernijen – vraagt ze of ik haar „ijdele uitstalling” wil zien. Ze doelt op haar complete oeuvre, inclusief vertalingen, eerste en laatste drukken. Het begon 35 jaar geleden met Buitenstaanders, daarna volgden tientallen romans, novellen en korte verhalen. Ze zijn chronologisch geordend en nemen drie planken in beslag.

Staat u weleens tevreden voor uw boekenkast?

„Nee. Die boekenkast kan heel bedreigend zijn. Als het schrijven niet lukt, denk ik dat het allemaal toeval was. Dan is die boekenkast een wall of shame. Heel naar.”

Is het faalangst?

„Ik ga niet echt staan voor wat ik gedaan heb. Dat schijnt een kwaal te zijn waar vooral vrouwen last van hebben. Ze noemen het impostor syndrome: de angst door de mand te vallen. Ik heb ooit samengewerkt met een Finse schrijfster die last had van hetzelfde euvel. Als een van ons door die angst bevangen raakte, gaf ze de ander een tientje.”

Dorrestein loopt naar een doos met lezerspost. In het afgelopen half jaar, sinds naar buiten kwam dat ze ongeneeslijk ziek is, stroomden de brieven met bakken binnen. „Kijk, deze lerares Nederlands heeft haar dochter naar Sterre vernoemd, een personage uit Buitenstaanders. ‘Ik wou dat jouw verhalenstroom niet eindig was’, schrijft ze. ‘Je hebt echt iets veranderd.’”

Ze bladert stilletjes verder. Ontroerd. „Het vergoedt veel in een situatie die niet honderd procent jolig is. Ik hoef mij gelukkig niet af te vragen of ik wel recht heb gedaan aan wat ik kon. Of ik mijn leven ten volle heb geleefd. De lezers zeggen: het had zin.”

Lees ook de recensie van haar nieuwe bundel: Dorrestein neemt afscheid van haar lezers.
Renate Dorrestein: Dagelijks werk. Een schrijversleven. Uitgeverij Podium, 304 blz. 19,99 euro