Commentaar

Krimpgebieden zijn een gegeven, niet een probleem

Slechts weinig mensen zullen met trots vertellen dat zij in een krimpregio wonen. De benaming stigmatiseert. ‘Krimpregio’ staat voor minder: minder inwoners, minder werk, minder voorzieningen, minder aandacht. Eigenlijk minder van alles. Meer ruimte, de keerzijde van al deze negatieve punten weegt hier maar beperkt tegen op.

Is de krimp in sommige delen van het land een probleem? De serie met portretten van krimpgemeenten die afgelopen week in NRC verscheen, gaf een wisselend beeld te zien, maar overheersend was toch wel het gevoel van achterstelling. Niet voor niets bleek bij de raadsverkiezingen van vorige maand dat lokale partijen die aan dit sentiment appelleerden het over het algemeen goed deden.

De ‘krimpproblematiek’ is al jarenlang een geliefd begrip in bestuurlijk en adviserend Nederland. Talloze rapporten zijn verschenen, diverse studiedagen en congressen georganiseerd. Problemen vragen nu eenmaal om een oplossing. En dan is de bestuurlijke reflex al gauw: beleid! Direct gevolgd door de roep om geld. Maar de hoofdvraag bij het verschijnsel krimp is toch allereerst óf er wat kan worden opgelost.

Beter zou het zijn de verwachtingen op dit gebied te temperen, Krimp is een vooral door demografische ontwikkelingen ontstaan gegeven. En dat betekent, zoals het Planbureau voor de Leefomgeving al in 2010 stelde, dat bestuurders krimp niet zozeer moeten bestrijden, maar begeleiden.

Het probleem is in elk geval gedefinieerd en gelokaliseerd. Negen gebieden zijn in 2015 door het Rijk aangemerkt als krimpregio. Gemeenten in deze gebieden, vooral te vinden in Zeeuws-Vlaanderen, Noord- en Oost Groningen en Zuid-Limburg, hebben tot 2040 te maken met een daling van de bevolking met 16 procent. Daarnaast zijn er nog elf zogeheten „anticipeergebieden”. Hier zal het aantal inwoners tot 2040 naar verwachting met vier procent dalen. De rest van Nederland krijgt over hetzelfde tijdvak te maken met een bevolkingsgroei van 11 procent.

In het regeerakkoord van het eind vorig jaar aangetreden kabinet staat dat, om een adequaat voorzieningenniveau op peil te houden, in krimpgebieden ruimte zal worden geboden voor experimenten om taken te clusteren. Zuiniger kan het haast niet worden geformuleerd. Zeker als dit wordt vergeleken met het ambitieuze rapport ‘Nederland in Balans’ dat de provincies Groningen, Friesland, Gelderland, Limburg en Zeeland twee jaar geleden presenteerden. Om Nederland weer in evenwicht te brengen door van krimpregio’s „kansregio’s” te maken, was volgens de ‘K5’ de komende 15 tot 20 jaar een bedrag van 360 miljoen euro per jaar nodig. De voorzichtige aanpak die het kabinet voorstaat, spoort meer met de realiteit.

Het is een klassieke overheidstaak om sturend op te treden waar onaanvaardbare achterstanden ontstaan. Een bekend voorbeeld is het basis- en voortgezet onderwijs in plattelandsgebieden. Daar kunnen niet dezelfde bezettings- en bekostigingsnormen op worden losgelaten als in de Randstad. Hetzelfde geldt voor diverse zorgvoorzieningen. Maatwerk is nodig om de gemeenschap in stand te houden. Overigens gebeurt dit nu ook al.

Maar wat moet worden verwacht van een „rijksinzet” ter stimulering van de regionale economie bedoeld voor „innovatie en stimulering van arbeidsplaatsen” zoals de vijf provincies in hun rapport uit 2016 bepleitten? Afgezien van het garanderen van een goede infrastructuur, dient de rol van de overheid hier een beperkte te zijn.

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd nog gedacht dat de economische ontwikkeling vanuit Den Haag gestuurd kon worden. Met de spreiding van rijksdiensten werden duizenden arbeidsplaatsen naar de achtergebleven regio’s in het noorden en het zuiden van het land verhuisd. Het werd geen succes en midden jaren tachtig sprak toenmalig premier Lubbers dan ook over een „niet-begaanbare weg die doodlopend is”.

Vanzelfsprekend is het de opdracht voor de landelijke overheid om het land ‘een beetje bij elkaar te houden’, om een andere oud-premier, Den Uyl, te parafraseren. Maar de dynamiek van een land brengt met zich mee dat er altijd sprake zal zijn van een uiteenlopende welvaartsontwikkeling die demografische gevolgen heeft. Hier een ‘goede-bedoelingen-politiek’ van verdelende rechtvaardigheid op loslaten zal slechts contraproductief werken.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.