Recensie

Je droomt in de taal van de voormalige eigenaar

Radna Fabias Debutant Fabias dicht aangrijpend over verlangen, vrouwelijkheid, religie en sociale conventies. Met simpele maar effectieve middelen maakt ze haar poëzie ambigu en toont ze de verraderlijke slagkracht van taal.

Op een derde van Habitus van Radna Fabias (1983) bevindt zich een opmerkelijk rechttoe-rechtaan gedicht. In ‘in het voorbijgaan’ wordt een hond aangereden. De decompositie van het dier wordt in momentopnamen geregistreerd: ‘het vermorzelde karkas van de hond lijkt nu op een leeggelopen bloedballon of een heel / vies kleedje’. Uitgerekend dit atypische gedicht is een van de belangrijkste van deze debuutbundel.

Habitus gaat over hoe iemand door de wereld navigeert, terwijl zij aanhoudend geconfronteerd wordt met haar achtergrond. Hoe verhoudt iemand zich tot anderen en (dus) zichzelf, wanneer er onaangenaam met haar omgegaan wordt? In het gedicht dat de eerste afdeling afsluit, wordt de hoofdpersoon op het vliegveld gescand: ‘de laatste inspectie toont dat ik niets explosiefs onder mijn rok draag / ik ben geen gevaar’.

Het volgende gedicht, ‘inspectie bij aankomst’, zet die suggestieve omgang echter rustig voort. Het is een opsomming van lichaamskenmerken: ‘moedervlekken: spuug van god / buik: bol van belofte, zit geen kind in / billen: relatief rond – minder massa dan de bloedlijn doet verwachten –’. Niet alleen hier laat Fabias op schrijnende wijze zien hoe er over de ander gesproken wordt en wat de verraderlijke slagkracht van taal kan zijn.

In een van de slotgedichten, het bijtende en ironische ‘aantoonbaar geleverde inspanning’, wordt dat ook duidelijk. Aan een ‘ballotant’ worden allerlei eisen gesteld: ‘beheerst, voor een aanvaardbaar percentage, de eigen emoties / gooit niet langer gietijzeren objecten naar getroebleerde mannen / is de moedertaal vergeten / droomt in de taal van de voormalige eigenaar’. Net als in de rest van de bundel zijn de observaties beladen. Waaraan moet iemand voldoen om geaccepteerd te worden?

Het gedicht somt vijf pagina’s lang zaken op waar de ballotant mee moet kunnen omgaan: met ‘de betutteling / de geluidsoverlast / de alomtegenwoordigheid van arnon grunberg / het glazen plafond / het polderen / de verheerlijking van maakbaarheid / de norm’. Alleen dan is er een aantoonbare inspanning geleverd, maar blijft het de vraag of diegene geaccepteerd zal worden.

De opsomming is een van de simpele, maar effectieve middelen waarmee Fabias haar poëzie zo veelzijdig en ambigu maakt. Ze verbindt zo veelsoortige en paradoxale zaken met elkaar, vooral wanneer die in gekleurde taal gegoten worden. Fabias maakt daarnaast goed gebruik van herhaling, waardoor haar gedichten filmisch worden. Door beelden te hernemen (glimmende velgen!) toont ze haar scherpe en gefocuste oog voor detail.

En dan kom ik terug bij het gedicht over de aangereden hond. Dat lijkt oppervlakkig en sec. Juist de wreedheid en het steriele waarnemersoog laten het als een geweerschot door de bundel echoën, vooral in de gedichten waarin Fabias aangrijpend schrijft over verlangen, vrouwelijkheid, religie en sociale conventies. Wanneer zij de ruimte neemt om een intieme en broeierige sfeer op te wekken, galmen de donkere ondertonen van haar werk des te harder. Dat maakt van Habitus een geweldig debuut.