Recensie

Homerus staat helemaal niet zo ver af van Dick Swaab

Het is niet zo gemakkelijk na te gaan wat je doet als je denkt: praat je dan met jezelf? Of doen de gedachten maar wat (alsof je er ‘zelf’ helemaal niet bij bent) en noem je dat achteraf nadenken?

Bij Homerus ‘dacht’ een held door een gesprek aan te gaan met het eigen gemoed, of zelfs andersom: het gemoed ging een gesprek aan met Odysseus. ‘Maar waarom besprak [...] mijn eigen gemoed dit eigenlijk met me? Ik weet heus wel dat lafaards de strijd verlaten; maar wie in het gevecht wil uitblinken, moet krachtig standhouden [...]’ (vert. David Rijser). Dat is, als je het nu leest, bijna grappig, dat gemoed dat met de held spreekt, wie de held dan ook verder mag zijn als hij niet zijn gemoed is.

Rijser laat in zijn essay De portiek van de buren, uitgegeven ter gelegenheid van de Week van de Klassieken (t/m 15 april), zien hoe het denken in de oudheid werd verbeeld, en hoe die verbeelding er steeds anders uitzag. De Homerische helden die nog een soort nette dialoogjes hielden – ik kan a doen, ik kan b doen, na overleg met mijzelf maak ik de beste keuze – pakten het heel anders aan dan de Romeinse dichters die de grilligheid van het denken en voelen, het voeldenken, weergaven. Maar nu staat er in de vorige zin ineens het woordje ‘nog’ – alsof Homerus een heel ver voorstadium beschrijft dat wij allang verlaten hebben.

Rijser maakt in zijn beknopte, maar zeer rijke essay juist aannemelijk dat de manier waarop Homerus over denken schrijft, behoorlijk dicht aansluit op zoals er tegenwoordig weer over denken gesproken wordt, vooral dankzij Dick Swaab met zijn Wij zijn ons brein. In het brein gebeurt het, de hardware is bepalend.

Het is een manier van tegen de mens en zijn geestelijke activiteiten aankijken waar Rijser duidelijk niet veel van moet hebben, en waar ook Socrates, ruim avant la lettre, al niets van moest hebben.

Zo blijkt tenminste uit een geweldig gekozen citaat waarin Socrates spreekt over iemand die ongeveer denkt als Swaab en die meent dat het handelen van Socrates’ lichaam (met inbegrip van het brein) de oorzaak van zijn verblijf in de gevangenis is ‘terwijl de enige echte oorzaak is dat het de Atheners het beste leek om me te veroordelen en het mij daarom op mijn beurt het beste leek om hier te blijven zitten.’

Het gaat Rijser niet om het weergeven van wat filosofen dachten, maar om hoe men meende dat het denken toeging, ook bij mensen die geen filosofen waren, maar wel denkers. Hij laat zien dat veel onderscheidingen die wij nu maken, tussen rationaliteit en mystiek bijvoorbeeld, in de oudheid in het geheel niet gemaakt werden en dat iemand als Pythagoras wiskunde probleemloos combineerde met een nogal zweverig soort mystiek, en zelfs met volslagen onzin.

Dat men later heeft gevonden dat de Grieken zo rationeel waren ligt meer aan dat latere tijdperk dan aan de Grieken, net zoals de opvatting die dáár weer op volgde, ingezet door de classicus E.R. Dodds, dat de Grieken juist heel irrationeel en zelfs primitief waren.

Elke tijd heeft zijn eigen oudheid, en dat is een van de redenen om de oudheid te blijven bestuderen, zegt Rijser. Dat dat loont is wat dit stimulerende boekje duidelijk maakt.

    • Marjoleine de Vos